Vrijbroekpark

Afgelopen vrijdag heb ik van mijn wekelijkse vrije dag gebruik gemaakt om met moeder de verplaatsing naar Mechelen te maken, meer bepaald naar het Vrijbroekpark. Ik ben daar met Conny al vaker geweest, meestal als vertrekpunt van een langere knooppuntenwandeling maar nu was het specifiek de bedoeling om het park zelf en zeker de rozentuin te bezoeken.

De geschiedenis van het ‘Vrijbroek’ klimt op tot 1260, toen een zekere Berthout de Groote, Heer van Mechelen, het oppervlakkig gebruik van de beemden verkocht. Het grootste gedeelte van haar geschiedenis is het Vrijbroek beemdengebied gebleven en werd het gebruikt als weiland.

In 1832 deed het Vrijbroek korte tijd dienst als oefenterrein voor het Franse leger dat langs Mechelen trok om Antwerpen in te nemen. Na het vertrek van de Fransen werd het echter al snel terug door de plaatselijke bevolking als weiland gebruikt. Waar het stadsbestuur reeds verschillende eeuwen de Heer van Mechelen had opgevolgd als bestuurlijk opzichter, kwam in 1865 het Vrijbroek echt in handen van de stad Mechelen. De beemden van het Vrijbroek bleven in gebruik als weiland, doch de gebruiker moest nu inwoner van Mechelen zijn. Deze toestand blijft onveranderd tot de eerste helft van de 20ste eeuw.

Een aanzienlijk gedeelte van het gebied werd in 1929 door de provincie gekocht en opengesteld voor het publiek. Het park dat nu de oostelijke helft van het Vrijbroek beslaat, dateert uit deze periode en wordt gekenmerkt door bospercelen die van elkaar worden gescheiden door een dichte padenstructuur en een grachtenstelsel. Verder omvat het een opvallende rozentuin en de resten van een voormalige spiegelvijver. Vandaag wordt het als Provinciaal Domein sterk getekend door recreatieve infrastructuur. Van de oostelijke helft van het Vrijbroek ging een gedeelte verloren door de aanleg van de autosnelweg E19 Antwerpen-Brussel.  (Bron : inventaris.onroerendgoed.be)

De rozentuin staat nu heel mooi in bloei al zijn er altijd wel struiken waarvoor je ofwel te vroeg ofwel te laat bent. Ook de andere tuinen zoals de Dahliatuin is een bezoekje waard. Een wandeling rond de vijvers werd afgerond met een heel smakelijke koffie op het terras van Brasserie ’t Park.

Daarna was het snel naar huis en terug in de auto naar Nijlen waar ik een kennismaking had met Padellen als teambuildingactiviteit. Ik heb nog altijd een beetje spierpijn maar zo’n avondje in het gezelschap van collega’s die je in maanden niet meer in levende lijve had gezien was wel heel erg leuk.

Zondag rustdag

Na een drukke vrijdag met een trimestriële controle bij de dokter en een bezoekje aan het Vrijbroekpark in Mechelen met moeder en een avondje padellen als teambuilding en een drukke zaterdag met enkele uren onkruid wieden in de tuin en daarna een wandeling van een kilometer of vijf was het vandaag tijd voor een rustdag. Over vrijdag en zaterdag volgt later wel een bericht.

De dag begon al heel goed toen we tijdens het ontbijt op het terras minstens 15 ooievaars zagen rondcirkelen boven Peulis. Je zag ze omhoogcirkelen, gebruikmakend van de thermiek. Een machtig zicht is dat. Even later kwamen ze wat meer naar beneden. Jammer genoeg is er geen enkele geland in de tuin. Dat vond ook de kat jammer want die leek wel geïnteresseerd in zo’n hapje.

Na de middag hebben we dan de fiets genomen en nog een laatste training gedaan vóór onze fietsvakantie later deze maand.

Via het fietsknooppuntennetwerk fietsten we via Onze-Lieve-Vrouwe-Waver en Koningshooikt naar Lier om dan via de oevers van de Nete naar Duffel te fietsen en via Sint-Katelijne-Waver en Bonheiden terug naar Peullis te keren.

Een hele mooie fietstocht, tussen de velden en langs het water. Meer moet dat niet zijn. Soms wel een omleiding vanwege werken (de ene keer perfect aangegeven, de andere keer helaas niet maar dan helpt de Garmin e-Trex ons altijd om het juiste pad te vinden.

Nog één weekje werken vanaf morgen en dan kan de beugel er nog eens af. Het zal deugd doen.

Stormachtig en rustig weekend

Ondanks het stormachtige begin afgelopen vrijdag toch een heel rustig weekendje gehad.

Vrijdag leek het erop dat Conny me met de Ark thuis zou moeten komen oppikken in plaats van met de auto. Talloze ondergelopen straten tussen Peulis en Vorselaar zorgden ervoor dat de rit van heen en terug zo’n 60 km ruim 2 uur duurde.

Gelukkig bleef het de rest van de avond rustig.

Zaterdag stonden we echter al snel terug in de file. Normaal gezien is een ritje Peulis naar Aarschot een halfuurtje rijden. Nu hebben we ruim een half uur nodig gehad om de laatste drie kilometer te overbruggen. Bleek Aarschot namelijk de startplaats van Dwars door het Hageland te zijn. En leek het ook dat de organisatie daaromtrent niet zo goed was dan het wel zou kunnen zijn.

Afin … we zijn toch op onze bestemming geraakt en hebben een nieuwe paraplu gekocht nadat de “oude” (die we pas in februari of zo hadden gekocht) was afgebroken en meegenomen door de rukwinden van vrijdag. De sukkelaar was nauwelijks open geweest en toch al gekraakt ☹.

Na de middag onze klassieke 5 km wandeling in Peulis gedaan al was het uitzicht minder klassiek. Het leek wel het verdronken land van Peulis. Zelden zoveel water gezien in de buurt. Gelukkig hebben de planten in de tuin de stortbui van vrijdag wel goed overleefd. Die tuin is trouwens heel populair bij vlinders en bijtjes.

Ook vandaag is er 5km gewandeld, ook al was het om een ijsje te gaan eten in Grobbendonk na de copieuze rijsttafel die we hadden afgehaald ter gelegenheid van de verjaardag van broer die dit weekend in Vorselaar een tussenstop maakt op zijn fietstocht doorheen Nederlandstalig België.

Waterkantwandeling

De titel had ook kunnen zijn … weekendverslag 3 met vertraging.

Maar ja, als je moet kiezen tussen ’s avonds gezellig op een schommelbankje genieten van het mooie weer of binnen zitten, foto’s bewerken en een blogpost schrijven … dan kies je toch voor het eerste hè?

Zondag was het terug aan de wandelschoenen. Een beetje googelen en we vonden de Waterkantwandeling in Sint Katelijne Waver (Elzestraat).

Via het Fort van Walem bereikten we de “Kleine Vijver”, zo’n typische waterput die het gevolg is van werken aan een autostrade. Alleen is deze vijver niet commercieel uitgebuit al waren er wel enkele mensen die het zwemverbod en het barbecueverbod overtraden.

Daarna ging het verder langs de oevers van de Nete. En dan mogen ze nog zoveel als willen op de baan schilderen dat het jaagpad van iedereen is, er zijn toch nog teveel wielertoeristen die daar anders over denken. Pas op, ik scheer ze zeker niet allemaal over dezelfde kam want de meeste mensen zijn wel hoffelijk maar we zijn er toch genoeg tegengekomen waarvoor het wel teveel is om even opzij te gaan of even de remmen dicht te knijpen.

Wat we weer wel geleerd hebben is dat je echt niet ver moet gaan om mooie wandelingen te maken. Natuurlijk zal het in Frankrijk of Duitsland ook mooi wandelen zijn. En ja, ik zou ook nog eens dolgraag naar “mijn” Engeland of Schotland of Wales gaan. Maar ik ga niet zoals zoveel mensen op de sociale media gaan zagen dat ze niet op vakantie kunnen omdat ze geen Covid-paspoort hebben.

Er is helemaal niks mis met vakantie in eigen land. Daar is het ook mooi en je kan je er evengoed ontspannen.

Fietsen langs de Dijle

De titel had ook kunnen zijn … weekendverslag 2 met vertraging.

Maar ja, als je moet kiezen tussen ’s avonds gezellig op een schommelbankje genieten van het mooie weer of binnen zitten, foto’s bewerken en een blogpost schrijven … dan kies je toch voor het eerste hè?

Afgelopen zaterdag, na een voormiddagje onkruid wieden (je kan niet geloven hoeveel onkruid er in een tuin kan staan), zijn Conny en ik nog eens gaan fietsen. We hebben voor juni een fietsvakantie in Kalmthout geboekt en we moeten toch zien dat we een paar fietskilometers in de benen hebben vóór we daar in beginnen.

Via Fietsknooppunten een tochtje van zo’n 35 km uitgestippeld en weg waren we richting Rijmenam. Daar ging het langs de oevers van de Dijle richting Keerbergen. Een heel bijzonder mooi stukje om te fietsen. Van Keerbergen ging het naar Grasheide om dan via de afdaling van de Schaapstraat terug naar Peulis te fietsen.

De Hoge Rielen

De titel had ook kunnen zijn … weekendverslag 1 met vertraging.

Maar ja, als je moet kiezen tussen ’s avonds gezellig op een schommelbankje genieten van het mooie weer of binnen zitten, foto’s bewerken en een blogpost schrijven … dan kies je toch voor het eerste hè?

Afgelopen vrijdag de verplaatsing gemaakt naar Kasterlee/Tielen om eens te gaan wandelen in de Hoge Rielen.

De Hoge Rielen is een jeugdverblijfscentrum van 230 ha in Kasterlee dat eigendom is van de Vlaamse Gemeenschap en in haar opdracht wordt beheerd door de vzw ADJ. Verschillende groepen kunnen er tegelijkertijd te gast zijn in 17 paviljoenen en op de kampeergronden.

Op dit oude militaire domein staan vele loodsen die dienstdeden als munitie-opslagplaats. Velen zijn ondertussen herbouwd tot educatieve lokalen of slaappaviljoenen. In 1999 ontwikkelde toenmalig Vlaams bouwmeester ‘bOb’ Van Reeth een langetermijnvisie voor het domein. Uit verschillende studiebureaus werd nadien Secchi & Vigano geselecteerd om een masterplan te ontwikkelen. Momenteel is dit masterplan in uitvoering.(Bron : Wikipedia)

Van jeugdbewegingen was er weinig of niets te zien. Dat gaf ons mooi de gelegenheid om het groene natuurloopparcours te wandelen. Er is ook een rood parcours maar dat is ruim 8 km en met een 87-jarige moeder volstaat 5,5km. Het parcours is trouwens perfect afgepijld en loodst je doorheen de mooiste plekjes van de Hoge Rielen.

Onderweg trouwens een close encounter of the deer kind gehad. Bijna had ik ‘m gemist maar ik was nog net op tijd om ‘m op de gevoelige SD-kaart vast te leggen.

Lierse Polders en Begijnhof

Na een voormiddagje onkruid wieden in de motregen was er deze namiddag gelukkig nog wat tijd voor een wandeling.

We wilden het niet te ver gaan zoeken en dan is Lier altijd een optie. Ik liep er, toen de dieren nog konden spreken, 6 jaar school en “woonde” gedurende die periode ook in het Internaat in de Berlarij. Later kwam ik er bijna wekelijks om met loopbuddy Sally een halfuurtje te gaan joggen. Helaas kan dat om verschillende redenen niet meer. Maar ik kom nog altijd graag terug in Lier.

Vertrekken deden we op de parking van CC De Mol. Deze keer kozen we niet het jaagpad richting Anderstad maar staken we de brug over en wandelden we naar de Lierse Polders. Via de Netedijk tot aan het Hof van Ringen, het optrekje van Dries van Noten.

Vandaar ging het terug naar het centrum van Lier waar nog eens door het Begijnhof wandelden.

Het begijnhof van Lier is een van de drie oudste van Brabant en ontstond, vermoedelijk, in de eerste helft van de 13e eeuw. Oorspronkelijk woonden de begijnen niet in, wat wij nu als, een begijnhof, maar vormden ze op een aantal plaatsen verspreid een vrije gemeenschap waar zij in onthouding en in een armoedig bestaan leefden. Hun vrije deed werd besteed aan gebed en meditatie. De grote doorbraak van het ontstaan van de begijnhoven kwam na de kruistochten, midden 13de eeuw, waardoor vele vrouwen uiteindelijk samen gingen wonen. In Lier gingen rond 1258 spontaan een aantal ongehuwde vrouwen buiten de eerste omwalling samenwonen in de buurt van het huidige begijnhof, waar zich toen een jachtslot van de hertog van Brabant bevond. Rond 1200 zouden hier reeds drie zusters een aantal gebouwen gelegen in het huidige begijnhof hebben afgestaan om er een woonplaats voor geestelijke dochters te stichten. Deze stichting kreeg een gebouw van Aleidis, de echtgenote van Hendrik III, gelegen aan de reeds bestaand gebouwen. Zo groeide het Lierse begijnhof. In 1258 werd het begijnhof verheven tot een autonome parochie onder bescherming van Aleidis, gemalin van Hendrik III. Zo kregen de begijnen de toelating om over een eigen kerk en pastoor te beschikken. In 1274 nam hertog Jan I het Liers begijnhof onder zijn bescherming. Die later verder werd gezet door Hertog Jan II en Filips de Goede. Tussen 1389 en 1430 werd het begijnhof geïntegreerd binnen de muren van de stad. Het begijnhof werd door de eeuwen heen geplaagd door verschillende branden en plunderingen.

Het begijnhof ontstond in de 13e eeuw, maar de meeste huizen dateren uit de 17e en het begin van de 18e eeuw. In de jaren negentig werden grote delen gerestaureerd. Zo werd de oostelijke “grachtkant” volledig vernieuwd, inbegrepen het interieur van de huisjes. Ze hebben hun voorgevel richting begijnhof, terwijl hun achtergevel (die grenst aan de Kleine Nete) volledig vensterloos is.

Het huidige begijnhof is ongeveer 2 hectare groot. De laatste begijn, zuster Agnes, vertrok er in 1984 op 85-jarige leeftijd en overleed in 1994. (Bron : Wikipedia)

De weergoden waren ons alvast goed gezind want op weg naar huis begon het opnieuw te regenen. Morgen terug gaan werken na een weekje vakantie en zelfs nog eens naar kantoor (voor de tweede keer dit jaar).

Zegbroek – Tremelo

Na een dagje met vooral praktische zaken was het vandaag weer tijd voor een wandeling.

Wandelknooppunten.be gaf als optie de Zegbroekwandeling in Tremelo.

Het Zegbroek maakt deel uit van het erkend landschap ‘Blaasberg’. Hier gebeurde de eerste aankopen door Natuurpunt Tremelo en het  eerste eigen erkende reservaat. Het is een vochtige, verveende, oude meander van de Demer, gelegen in de Demervallei op de grens met Keerbergen en begrensd door de Dijle en de Laak. Een belangrijk kenmerk van het Zegbroek is de zeer natte bodem. De grondwaterstand is er gedurende het ganse jaar hoog en bevindt zich tijdens de winter vaak boven het bodemoppervlak.

Het Zegbroek is een moeras- en veengebied met een variatie van biotopen gaande van graslanden over rietvelden tot trilveen en bos. Deze variatie maakt het tot een paradijs niet alleen van varens en zeggen, maar van heel veel plantensoorten. Er zijn hier meer dan 290 verschillende soorten planten, bomen en grassen.

Langs de oude loop liggen enkele turfputten. Daar kan je een vrij zeldzaam natuurverschijnsel waarnemen: trilveen. Plassen kunnen namelijk geleidelijk aan bedekt raken met een drijvend plantentapijt, ook wel drijftil genoemd. Naarmate zo’n drijftil omvangrijker en steviger wordt en zich aan de oevers vastzet, spreken we van een ‘trilveen’. Wie zich op zo’n trilveen waagt, waant zich op een waterbed. (Bron : Natuurpunt.be)

Het was een heel mooie wandeling en vandaag ook een heel rustige wandeling. Een aanrader voor natuurliefhebbers.

Damme

Nadat Oostende zich donderdagavond nog eens langs zijn mooiste kant had laten zien was het vrijdag helaas alweer de tijd om terug richting Kempen te rijden.

Stairway to heaven in Oostende

We maakten een eerste tussenstop in Damme.

Damme werd gesticht in 1180 en toen voor het eerst ook schriftelijk vermeld als Hendam. In 1217 werd dat Hondsdam. Vermoedelijk kwam het voorvoegsel af van Honte, een modderige zeearm. In de 14e eeuw ontwikkelde zich dan de legende dat er, alvorens de stad te kunnen stichten, eerst een duivelse hond moest worden verjaagd.

Vanaf midden 11e eeuw verzandde de waddenzee voor Brugge geleidelijk, maar in de eerste helft van de 12e eeuw kreeg Brugge nogmaals een directe verbinding met de Noordzee: overstromingen hadden een diepe en brede geul achtergelaten, het Zwin. Aan het Zwin ontstond de haven van Letterswerve (toltarief Diederik van Elzas circa 1160). Kort nadien lieten Brugge en graaf Filips van de Elzas het Zwin afdammen waar de getijdengeul onbevaarbaar werd voor de grotere schepen. Op de dam werden de goederen overgeladen op binnenschepen, die af en aan voeren naar Brugge via het Reiekanaal. Achter de dam ontstond een nieuwe woonkern: Damme (stadsrechten circa 1180). Damme behoorde hiermee tot de reeks van de havensteden die door de Vlaamse graven Diederik van de Elzas en Filips van de Elzas ter bevordering van het economische leven langs de Noordzeekust gesticht werden. Andere steden die tot deze reeks behoren zijn Grevelingen, Mardijk, Duinkerke, Nieuwpoort en Biervliet.

Omstreeks 1400 werd de stadsomwalling gemoderniseerd op last van Filips de Stoute. In 1446 werd het Nazarethklooster gesticht, een augustijnenklooster dat ondergeschikt was aan de Abdij van Zoetendale te Donk.

Het huwelijk tussen Karel de Stoute en Margaretha van York werd in 1468 hier voltrokken. Van 1464-1467 werd een nieuw stadhuis gebouwd. Ook het voorname huis De Grote Sterre dateert van die tijd. De bevolking nam nog toe, hoewel de economische activiteit stagneerde.

ijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd Damme tot een vestingstad uitgebouwd als Spaansgezinde tegenhanger van de vesting Sluis die in Staatse handen was. De vesting had een typisch stervormig grondplan gevormd door 7 bastions. Het was een belangrijke verdedigingsplaats met garnizoen tot de 19e eeuw.

In 1810 werd de Damse Vaart gegraven, onderdeel van een plan van Napoleon om de Noord-Franse havens door middel van een kanaal met Antwerpen te verbinden. Het tracé liep door het noordelijk deel van de stad, delen van deze stad verdwenen en het noordelijk deel werd afgesneden van het zuidelijk deel. Met het vrijkomende zand werden de Reie, de Lieve en wat er over was van het Zwin gedempt.

In de tweede helft van de 19e eeuw en vooral in de 20e eeuw kwam het toerisme op als bestaansbron. (Bron:Wikipedia)

Wij hebben er een wandeling van ongeveer 3,5 km gedaan. Net iets te ver om volledig droog te blijven maar echt nat zijn we dan ook weer niet geworden.

Na een tweede tussenstop in Gent, waar we bij de Gentse tak van onze familie werden verwelkomd met smakelijke koffie, thee en gebak ging het dan verder naar huis. De week is voorbij gevlogen en moeder heeft het erg naar haar zin gehad. Geslaagde vakantie dus.

Het Zwin

Gelukkig had ik vandaag niet teveel last van de Covid-prik van gisteren. Wel iets minder goed geslapen en een pijnlijke linkerarm maar verder valt best mee. Al lijkt het wel dat ik iets sneller vermoeid ben.

Maar dat alles stond onze dagtrip van vandaag niet in de weg : het Zwin. De weg ernaar toe was vrij hectisch omdat de kaarten van mijn GPS totaal niet overeenstemden met de werkelijkheid. Maar we zijn er geraakt.

Het Zwin Natuur Park (tot 2016 bekend als Provinciaal Natuurpark Zwin) is het belangrijkste natuurgebied op het Belgisch gedeelte van het Zwin, een oude zeearm van de Noordzee. Het gebied ligt in de gemeente Knokke-Heist en sluit aan op het Nederlandse deel van Het Zwin. Men vindt er veel zeevogels en duinkonijnen, alsook een grote verscheidenheid aan watervogels. Aan de binnendijkse kant is een broedstation van de ooievaar en een klein vogelpark, waar ook gestrande vogels die verzorgd worden aan het publiek worden getoond. Verder is er een restaurant en een souvenirwinkel.

Het Zwin werd in 1939 een beschermd landschap.Het werd in 1952 door graaf Léon Lippens tot eerste natuurreservaat in België uitgeroepen. Het gebied is Europees beschermd als onderdeel van Natura 2000-gebied.

In 2005 werd er reeds een principeakkoord getekend, waardoor tot 2006 het Zwin beheerd werd door de Compagnie “Het Zoute”. Hierna nam de Vlaamse Gemeenschap het 155 hectare grote natuurgebied over en stelde het zich tot doel de verzanding aan te pakken en het natuurreservaat uit te breiden door er delen van de Willem-Leopoldpolder aan toe te voegen.Het bijbehorende vogelpark werd overgenomen door de provincie West-Vlaanderen.

Sinds 4 februari 2019 is het Belgische deel van het Zwin 110 hectare groter geworden na het doorsteken van de internationale dijk, het Nederlandse deel werd 10 hectare groter.[3] Het volledige Zwin, langs beide kanten van de grens, is sindsdien 770 hectare groot. In maart 2019 is een fietspad in gebruik gesteld dat loopt van Knokke tot Cadzand, dwars door het Zwin.

Het Zwin grenst aan het 222 hectare grote natuurreservaat Zwinduinen en -polders. (Bron: Wikipedia)