Kessel-Lo

Na een bijzonder drukke eerste werkweek na de vakantie was het vandaag tijd om te ontspannen. Omdat Conny moest werken ging ik nog eens op stap met moeder.

We verplaatsten ons naar onbekend terrein namelijk het Provinciaal Domein Kessel-Lo. Daar zouden we de Loverarenbroekwandeling doen.

Ooit was het Lovenarenbroek een groot moerasgebied, in de vallei van de Dijle, dat zich uitstrekte van de 12de-eeuwse Leuvense ring tot aan de voet van de Kesselberg. Tegenwoordig is het een educatief natuurgebied in het provinciedomein Kessel-Lo, beheerd door Natuurpunt. Deze korte wandeling vertrekt in het provinciedomein en leidt je langs twee prachtige vijvers naar verdoken kleine wegjes tussen tuinen en huizen van Beneden-Kessel, om uiteindelijk uit te komen aan de abdij van Vlierbeek.

Op het einde van de wandeling brachten we ook een bezoekje aan de Abdij van Vlierbeek.

Daar werd in 1127 een priorij gesticht door de Benedictijnen van Affligem. Rond 1165 werd ze verheven tot abdij. Tijdens de Franse overheersing werd het klooster (net zoals alle andere kloosters) opgeheven. De monniken werden verdreven. De gebouwen en de inboedel werden verkocht. Toen in 1798 de Boerenkrijg uitbrak, opereerden de opstandelingen onder meer vanuit de abdij. Op 25 oktober 1798 trok de aanvoerder Corbeels met 3000 “brigands” van Diest naar Leuven en logeerde met zijn verzetsleger op de hoogte van Kessel en Linden. Op 1 december kwam het tot een treffen en men zegt dat de Fransen er 60 doden achter lieten.

De Leuvenaar Jan Antoon de Becker, broer van een der monniken, was de nieuwe eigenaar geworden. In 1801 keerden de abt en enkele monniken terug, maar tot een echte bloei van de abdij kwam het niet. In 1838 stierf de laatste monnik van Vlierbeek.

De abdij en het kerkhof zijn zeker een bezoek waard. Je kan er “In de Rozenkrans” ook nog iets eten of drinken.

Gouda, stad van kaas en siroopwafels

We zouden vandaag opnieuw de fiets nemen maar de weersvoorspellingen waren niet echt gunstig te noemen. We zouden zo halverwege getrakteerd worden op fikse regen en niet zo even een bui maar toch ruim een uur stevige regen. 

De fietsen zijn dan ook in de berging blijven staan. De wagen bracht ons naar Gouda, de stad waar we al twee keer zijn doorgefietst maar die we nog niet hadden bezocht. En gelukkig hebben we dat wel gedaan want een bezoek aan Gouda is een aanrader.

Zoals wel vaker gaan we in een stad op zoek naar de Toeristische Dienst oftewel de VVV. Daar kochten we de gids voor de stadswandeling “Op pad in Historisch Gouda”, een 3,5 km lange wandeling die werd uitgestippeld en beschreven door het Goudse Gidsen Gilde. De stadsgidsen beschrijven er hun favoriete plekjes in Gouda.

Rond het jaar 1000 was het gebied waar nu Gouda ligt drassig en bedekt met een moerasbos, met daarin kleine riviertjes, zoals de Gouwe. In de 11e en 12e eeuw begon men met het ontginnen van veen ten oosten en westen van de stad en langs de oevers van de Gouwe. In 1143 werd de naam Gouda voor het eerst vermeld in een oorkonde van de graaf van Holland.

In de 13e eeuw werd het riviertje de Gouwe door een kanaal verbonden met de Oude Rijn en de monding in de Hollandse IJssel werd uitgebreid tot een haven. Aan de rand van de stad verrees in de 14e eeuw het kasteel van Gouda, dat de haven moest beschermen. Door deze ontwikkelingen ontstond een vaarroute, die werd gebruikt voor handel tussen Vlaanderen en Frankrijk met Holland en het Oostzeegebied. In 1272 verleende Graaf Floris V stadsrechten aan Gouda, dat inmiddels een belangrijke plaats geworden was.

In 1361 en 1438 richtten stadsbranden grote schade aan in de stad. Zo zouden bij de stadsbrand van 1438 slechts vier huizen gespaard zijn gebleven. Na de verovering van Gouda door de Geuzen op 21 juni 1572 werd het kasteel van Gouda in 1577 gesloopt, om het zo niet in handen te laten vallen van de Spanjaarden bij een eventuele herovering. De definitieve afbraak van het kasteel werd pas in 1808 voltooid, toen de Chartertoren werd gesloopt. Nog voordat het kasteel volledig was gesloopt, verrees ter hoogte van de vroegere binnenplaats op de fundering van het kasteel een molen. Nadat deze molen in 1831 was afgebrand, werd deze een jaar later vervangen door de molen ’t Slot, die nog altijd overeind staat.

In het laatste kwart van de 16e eeuw had Gouda ernstige economische problemen. In de eerste helft van de 17e eeuw krabbelde de stad weer op en tussen 1665 en 1672 kende de stad zelfs een tijd van grote vooruitgang en bloei. Toen in het rampjaar 1672 echter de Hollandse Oorlog uitbrak kende de stad opnieuw een economische terugval. Hoewel de economie na 1700 nog eenmaal opveerde, zou de terugval uiteindelijk tot ver in de 19e eeuw duren. In 1673 werd Gouda voor de vierde en ergste maal getroffen door de pest. De epidemie kostte 2.995 mensen het leven, ongeveer 20% van de bevolking. Bovendien kreeg Gouda te maken met opstandige boeren uit de omgeving, die in juni 1672 het stadhuis 24 uur lang bezetten.

In de 19e eeuw werden de stadsmuren van Gouda gesloopt; de laatste stadspoort werd in 1854 afgebroken. In deze periode had Gouda ook te maken met cholera-epidemieën, de eerste uitbraak was in 1832 een feit. Onder andere dankzij het aanleggen van een riolering en een waterleidingnet wist men de ziekte aan het eind van de 19e eeuw terug te dringen.

Rond diezelfde tijd begon Gouda ook eindelijk te profiteren van het betere economische klimaat. Bedrijven als de Stearine Kaarsenfabriek en de Goudsche Machinale Garenspinnerij hadden hierin een belangrijk aandeel. In 1855 werd het station Gouda in gebruik genomen aan de nieuwe spoorlijn Utrecht – Rotterdam. Vijftien jaar later volgde ook de spoorverbinding met Den Haag.

In de Tweede Wereldoorlog was Gouda enige malen het doelwit van bombardementen door de geallieerden. Het station werd tot tweemaal toe getroffen tijdens bombardementen in november 1944. In het totaal vielen er bij de bombardementen in Gouda 45 doden. Van de Goudse Joden werden er 328 vermoord tijdens de bezetting, slechts 40 overleefden de Holocaust.

In 1940 werd met de demping van de Nieuwehaven een begin gemaakt met het dichten van de grachten in de binnenstad. Na de Tweede Wereldoorlog werden ook de Raam, het Nonnenwater, de Naaierstraat en de Achter de Vismarkt gedempt. Mede vanwege de protesten vanuit de burgerij en de veranderde inzichten bij stedenbouwkundigen werd echter niet verdergegaan met het dempen van de historisch waardevolle stadsgrachten. In 1977 verdween de wekelijkse varkensmarkt, de grootste in Nederland, uit de stad. De wekelijkse kaasmarkt op donderdag bleef alleen als toeristisch fenomeen gehandhaafd. (Bron : Wikipedia)

Uiteraard zijn we na onze wandeling nog wat kaas en siroopwafels gaan kopen, twee specialiteiten van de stad. Voor de andere specialiteiten zoals kaarsen en kleipijpen hadden we minder interesse 😉.

Uiteindelijk zijn we wel blij met die slechte weersvoorspellingen want anders hadden we deze leuke stad waarschijnlijk niet bezocht en dat zou zonde zijn geweest. Ik kan Gouda zeker aanraden (en als je het bezoekt, ga zeker langs bij de VVV).

(Nog net) Purperen Heide

Na een bijzonder vermoeiende werkweek ben ik vandaag nog eens op stap geweest met moeder. In Lier gaan eten en winkelen en dan, bij 30°C, een wandelingetje gaan maken over de Kesselse Heide. Die stond eigenlijk al eerder op de planning is toen volledig uitgeregend.

Op sommige plekken was het echt nog al purper wat de klok sloeg maar op andere plekken was het beste er toch al af.

Maar, ondanks de hitte, was het toch een leuke wandeling.

Vakantietraining

Nog 20 dagen en dan kunnen we eindelijk aan onze zomervakantie beginnen!

Gisteren hebben we al eens een dagje getest. Dat hadden we wel verdiend vonden we na alweer een druk weekend. Zaterdag weer enkele uren in de tuin gewerkt en zondag naar Domein Puyenbroeck geweest voor het Joris Familiefeest. De nazaten van Vava en Moemoe Joris, de vader en moeder van mijn moeder dus. Met 70 aanwezigen (niet iedereen kon komen) was het best druk.

Om voor onze vakantie te oefenen trokken we gisteren naar Villers-la-Ville. Voor mij iets dat al lang op mijn bucketlist stond, voor Conny een aangenaam weerzien want zij was daar eerder dit jaar al geweest tijdens het fietsweekend met haar vriendinnen.

De abdij van Villers werd in 1146 gesticht, als dochterabdij van Clairvaux, door een groepje monniken in opdracht van Sint-Bernardus. De grond werd geschonken door drie plaatselijke landheren (Judith van Marbais, Anselm van Huneffe en Engelbert van Schoten), maar de eerste monniken moesten tot tweemaal toe verhuizen vooraleer zij een geschikte plek vonden die beantwoordde aan de behoeften van de gemeenschap. Er werd uiteindelijk gekozen voor een locatie aan de waterloop de Thyle. De bouw van de abdij vond plaats omstreeks 1190-1267. Vooral abt Charles de Seyne (1197-1209) geldt als groot bouwheer. De stichting van de abdij werd bekrachtigd door paus Eugenius III (zelf een leerling van Bernardus) en de Luikse prins-bisschop Hendrik II van Leyen. De abdij lag in het grensgebied van het graafschap Namen en het hertogdom Brabant, maar vanaf 1209 verkoos de gemeenschap uitdrukkelijk om tot de Brabantse invloedssfeer te behoren, een keuze die de hertogen met allerlei weldaden beloonden. De abt van Villers zetelde ambtshalve in de Staten van Brabant.

De abdij beleefde vooral in de 13de eeuw een bloeiperiode, toen de gemeenschap 100 monniken en 300 lekenbroeders telde. De religieuze ijver was groot, de ascese was streng en de abdij telde verschillende mystici. Zij verwierf uitgestrekte landeigendommen (op het einde van de 13de eeuw in totaal 10.000 ha., verspreid over de huidige provincies Antwerpen tot Namen) en stichtte op haar beurt de abdij van Grandpré (1231) en de Sint-Bernardusabdij te Vremde (1236), die later naar Hemiksem (1243 – Sint-Bernardusabdij) verhuisde, alsmede een aantal begijnhoven en nonnenkloosters, waarvan de abten de geestelijke leiders werden.

Toen Frankrijk in 1794 tijdens de Eerste Coalitieoorlog de Zuidelijke Nederlanden binnenviel, koos de abt de zijde van de keizer. Dat was het begin van het einde: op 11 december 1796 werden de kloosterlingen door Franse troepen verdreven. De eigendommen werden openbaar verkocht, en het terrein van de abdij zelf kwam in handen van een zekere La Terrade, een handelaar in bouwmaterialen, die de gebouwen stelselmatig sloopte en het “gerecycleerde” materiaal verkocht. In 1820 werd het terrein opgekocht door Charles-Lambert Huart, die in 1851 de toelating gaf om de spoorlijn Charleroi-Leuven dwars door zijn eigendom te laten aanleggen, wat hem een royale vergoeding opleverde. Wat er overbleef van de gebouwen werd verwaarloosd; de tijd en de elementen deden de rest. In 1893 kwam het terrein uiteindelijk in handen van de Belgische Staat, die sindsdien grootscheepse herstellingswerken liet aanvatten om de ruïne voor verdere aftakeling te behoeden. (Bron : Wikipedia)

Een geslaagde training voor een vakantie die niet snel genoeg kan komen … Nog 20 keer slapen!

Kasteel van Gaasbeek

Na enkele weken van nattigheid , die weliswaar nuttig waren want dat gaf ons de tijd om eens goed op te ruimen, kon ik vandaag nog eens op uitstap met moeder.

Ik koos voor het Kasteel van Gaasbeek en zijn Museumtuin.

Vermoedelijk liet Godfried van Leuven hier omstreeks 1240 een burcht bouwen ter verdediging van het hertogdom Brabant tegen het graafschap Henegouwen. Tijdens het ancien régime was dit het centrum van het Land van Gaasbeek.

In 1388 maakten de Brusselaars het kasteel met de grond gelijk. Daarmee namen ze wraak voor de moord op Everaard t’Serclaes door getrouwen van de kasteelheer, Sweder van Abcoude, die het kasteel nadien weer opbouwde.

Er verbleven een aantal belangrijke families uit de geschiedenis der Nederlanden, onder andere de Hornes en de Egmonts. De bekendste was graaf Lamoraal van Egmont, die het kasteel kocht in 1565, drie jaar voor zijn dramatische terechtstelling.

Op het einde van de 17de eeuw kwam het kasteel met aanhorigheden in handen van Louis Alexander Scockaert, baron van Gaasbeek en graaf van Tirimont. Eind 18de eeuw had de familie geen mannelijke nakomelingen meer en kwam het kasteel via huwelijken in handen van de Milanese patriciërsfamilie Arconati Visconti. Om die reden is het wapen van de Visconti’s, de biscione (een gekroonde azuren draak of slang die een man opslokt op zilver veld) nadrukkelijk aanwezig in de interieuraankleding van het kasteel zoals op houten lambriseringen en schouwmantels. De verticaal opgekrulde draak vindt men ook terug op het logo van het kasteel. Paul Arconati-Visconti bezat ook het Broodhuis op de Grote Markt. De laatste markiezin Arconati Visconti was de Française Marie Peyrat die het kasteel renoveerde en het zijn huidige uitzicht gaf. Ze stierf in 1923.

Zij schonk het domein in 1921 aan de Belgische Staat, die de gebouwen en het park in 1924 openstelde voor het publiek. Sinds 1980 is het een museum van de Vlaamse Gemeenschap.

Bij de hoofddreef van het domein ligt een terrastuin, omringd door een barokke omheiningsmuur (heringericht tot “levend museum” in 1996-1997). Deze tuin van 1,5 ha tegenover het kasteel biedt een overzicht van wat de Vlaamse hoveniers en fruittelers presteerden tussen 1860 en 1940, toen zij tot de wereldtop behoorden. Hij bevat fraai aangelegde en perfect onderhouden perken met groenten, bloemen, kruiden, bomen en heesters die rond 1900 in alle grote tuinen te vinden waren (waaronder onder meer vandaag grotendeels vergeten groenten). De museumtuin bestaat uit vier grote afdelingen: een siertuin met oranjerie, aangelegd in “Italiaanse” stijl; een moestuin; een fruittuin met bessen, klein fruit en noten, waarin zich ook de hydrangea-collectie bevindt; een boomgaard met een regionale collectie pruimenbomen. Het hoogtepunt is een verzameling lei-fruitbomen. Aan de tuin palen dienstgebouwen met een traditionele kern. (bron : Wikipedia)

Het kasteel en de tuinen zijn zeker een bezoek waard maar de binnenkant van het kasteel viel toch behoorlijk tegen. Nochtans is het recentelijk gerestaureerd en is het pas sinds dit jaar terug toegankelijk. Lag het aan de tijdelijke tentoonstelling of gewoon omdat het heel donker was binnen? Ik weet het niet maar het was geen 12 euro waard. De tuin daarentegen is zeker wel 7 euro waard.

Voor mij was het geen probleem want je mag met de Museumpas gratis binnen.

Extra snipperdag

Een extra dagje aan mijn verlengd weekend geknoopt.

Helaas moest Conny werken, anders had ze mee kunnen rijden naar de Kasteeltuinen van Arcen. Moeder bezoekt immers graag tuinen en die van Arcen is maar een dik uurtje rijden dus veel kan er niet mis gaan.

Behalve dan misschien het weer maar de weergoden waren ons goed gezind. Gedurende ons drie uur durend bezoekje heeft een geen druppel geregend. Op de terugweg naar huis heeft het pijpenstelen geregend.

Het complete landgoed Arcen telt circa 450 hectare en is, sinds de aanleg van de N271 in twee delen gesplitst. Aan de westzijde ligt het eigenlijke kasteel met kasteeltuinen, aan de oostzijde ligt het gebied Lingsfort. Het gehele landgoed is in 1976 aangekocht door de Stichting Het Limburgs Landschap, en halverwege de jaren tachtig werd het kasteel gerestaureerd.

Het huidige Kasteel Arcen stamt uit de zeventiende eeuw en is gebouwd in opdracht van de Hertog van Gelre. Het werd gebouwd op de restanten van het kasteel Het Nije Huis dat in het verleden verwoest werd. Oorspronkelijk stond er op een iets noordelijker gelegen locatie het eerste kasteel ‘Het Huys t’ Arssen’ uit 1275. Bij het kasteel bevinden zich rond een ruime kasteelhof nog het Koetshuys, de Oranjerie en een poortgebouw met diverse ruimtes. Op het kasteeleiland ligt een rododendrontuin. Het kasteel fungeert tegenwoordig vooral als expositieruimte, trouwlocatie en feestzaal.

Het koetshuis was van oudsher de stalling voor koetsen en landbouwwerktuigen. Later werd dit pand betrokken door de Zwitserse kunstschilder Friedrich Deusser en werd het zijn atelier. Dit is nog goed te zien aan het grote raam op de bovenverdieping. Ook zitten er in de gevel enkele ovale raampjes. Deze kleine ovaalvormige ramen werden in de 17e eeuw veel gebruikt en is daardoor karakteristiek voor de bouwperiode van dit gebouw. Door de gelijkenis met het oog van een koe worden ze Oeil-de boeuf genoemd. Tegenwoordig doet het koetshuis dienst als restaurant en ontvangstlocatie voor groepen die Kasteeltuinen Arcen bezoeken.

De kasteeltuinen bestrijken, binnen het totale landgoed, een oppervlakte van circa 32 hectare. Bij de aanleg van het park hield landschapsarchitect Niek Roozen rekening met de verschillende seizoenen, wat resulteerde in de aanleg van achttien verschillende tuinen onderverdeeld in twaalf thema’s. Zo is er een barok Rosarium, met 10 gethematiseerde rozenkamers, meer dan 8.000 rozen en een deels eeuwenoude berceau. De Water- en Beeldentuin omvat een jaarlijks wisselende beeldenexpositie en collectie aangeplante eiken. Het Lommerrijk (‘lommer’ betekent ‘schaduw’) bevat diverse boomsoorten en vaste planten zoals longkruid, astilbe, eendagslelies en bolgewassen. Ook stromen er verschillende beekjes en watervallen.

De Vallei bestaat uit een lint aan diverse tuinbelevingen; de Acertuin bevat een collectie Japanse esdoorns die gedurende de herfst vlammend rode kleuren en er is ook een Bamboebos en Oosterse Watertuin. Tot vorig jaar was er ook nog de ‘Casa Verde, een kas van 3200 vierkante meter met een mediterraan en tropisch klimaat maar die constructie was in dergelijke mate aangevreten door roest dat herstel niet meer mogelijk was. Nu is het een mediterrane tuin. (Bron : Wikipedia)

Fietsen, wandelen en smurfen

Het Nationale Feestdag weekend is een bijzonder actief weekend geworden.

Op de feestdag zelf zijn we met de fiets naar Leuven gereden. Daar was immers een “rommel- en brocantemarkt” op het Martelarenplein en een “boekenmarkt” in Museum M. De rommelmarkt viel niet tegen maar had gerust wat groter mogen zijn. Ik heb wel een paar CD’s voor een prikje kunnen kopen.

De boekenmarkt viel gewoon tegen. Maar die had dan weer wel als voordeel dat we gespaard bleven van de traditionele drache national. In Leuven heeft die wel maar een tiental minuutjes geduurd.

Wat wel enorm goed was meegevallen was de fietstocht zelf. Bijna 60 km maar het was best aangenaam weer en we hebben mooie zaken gezien.

Zaterdag was het dan tijd voor de volgende veldslag in de eeuwige oorlog tegen het onkruid. Bijna een hele dag op handen en voeten door het onkruid gewoeld maar het resultaat mag worden gezien. Deze veldslag weer gewonnen. Binnen een paar maanden is het waarschijnlijk re-match.

En vandaag waren de voorspellingen te grillig om ons aan een fietstocht te wagen dus trokken we de wandelschoenen nog eens aan. We trokken nog eens naar Itegem voor een wandeling die de afgelopen twee keer letterlijk in het water was gevallen … zo’n halve meter water ongeveer in de wei waar we de doorsteek naar de terugweg moesten maken.

Maar vandaag is het dan toch gelukt. Buiten wat motregen in het begin van de wandeling en wat zweet op het einde van de wandeling zijn we droog gebleven. We zijn onderweg wel smurfen tegengekomen en dat zie je ook niet elke dag 😉.

Knooppuntenwandeling : 50 – 19 – 98 – 99 – 17 – 53 – 51 – 52 – 49 – 50 (Itegem)

Ljouwert (Leeuwarden)

Na drie dagen fietsen waren we wel toe aan iets anders. Daarom trokken we vanochtend, met de auto, naar Leeuwarden. Aanvankelijk was het de bedoeling om daar een fietstocht te beginnen en dan nog “even” de stad te bezoeken maar gelukkig hebben we besloten om er een hele dag door te brengen.

Leeuwarden is de hoofdstad van Friesland en is één van de oudste steden van Nederland. De geschiedenis van Leeuwarden gaat terug tot in de Romeinse tijd. Toen woonden er al mensen op de plek waar nu de Oldehove staat. Leeuwarden is ontstaan op terpen die werden opgeworpen aan een inham van de Middelzee die in de 13e eeuw dichtslibde en werd ingepolderd. De riviertjes Ee, Vliet en Potmarge mondden bij deze terpen uit in zee.

De naam Leeuwarden duikt voor het eerst op in een schenkingsakte uit de 8e eeuw. In dit document van de abdij van Fulda spreekt men van villa Lintarwde.

In 1435, hetzelfde jaar dat Oldehove, Nijehove en Hoek samengevoegd werden tot één stad, Leeuwarden, kreeg Leeuwarden stadsrechten.

De vijftiende eeuw werd beheerst door de strijd tussen Schieringers en Vetkopers. In het algemeen schaarden de steden en het platteland zich achter de Schieringers. Leeuwarden was het bolwerk van de Vetkopers. De partijstrijd leidde tot de bouw van nieuwe verdedigingswerken. Albrecht van Saksen had in 1498 negen weken nodig om Leeuwarden in te nemen, om het intern verdeelde Friesland te kunnen onderwerpen.

De zestiende en zeventiende eeuw vormden een gouden tijd voor Leeuwarden. Leeuwarden kreeg aanzien doordat het eeuwenlang de residentie werd van de Nassaus die vanaf 1584 stadhouder werden van de noordelijke provincies, tot zij in 1747 uit de stad vertrokken. De Nassaus woonden in het Stadhouderlijk Hof met hun hofhouding, nu functioneert het gebouw als hotel. In deze eeuwen kwam de stad ook tot grote bloei. Het aantal inwoners steeg van 5.000 rond het jaar 1500 tot 16.000 in 1650.

De Gouden Eeuw was ook een tijd waarin de adel op kwam in Leeuwarden. De Eewal, Grote Kerkstraat, Nieuwestad, Tweebaksmarkt en de Weaze waren destijds de deftigste straten van Leeuwarden. Hier woonden de rijke adellijke families zoals Van Martena, Van Aylva, Van Camstra en Van Burmania. Leeuwarden behoorde toen tot de tien aanzienlijkste steden van Nederland. Daarvan getuigen nu nog prachtige gebouwen als de Kanselarij (waar recht gesproken werd), het Stadhouderlijk Hof en de Waag (als centrum van de handel).(Bron : Wikipedia)

Wij kochten ons voor 2 euro bij het Visitor Center een kaartje met een 6km lange wandelroute doorheen de stad waarbij je de meeste bezienswaardigheden passeerde : Oldenhove ( de scheve toren van Leeuwarden), de Prinsentuin, het Stadhuis, het Stadhouderlijk Hof, de Waalse kerk, de Grote Kerk, het Stadsweeshuis, de St.Bonifatiuskerk, Centraal Apotheek, de Kanselarij, het Oude Postkantoor en nog veel meer mooie oude gebouwen.

Ook voor shoppers of voor Bougondiërs heeft Leeuwarden voldoende te bieden.

Kortom … een gezellige stad die gewoon vraagt om terug te komen.

Schiermonnikoog

Vandaag lieten we onze fietsen in de berging staan. Er stond wel een fietstochtje op het programma maar dat zouden we doen in Schiermonnikoog en op de veerboot die vertrekt vanuit Landal Esonstad mag je geen fietsen meenemen.

Op zich geen probleem want één van de hoofdactiviteiten op Schiermonnikoog is het verhuren van fietsen. Soepboer Fietsverhuur waar wij via de Landal Receptie twee e-bikes reserveerden heeft er een vierduizendtal staan. En dat is dan maar één van de vier verhuurbedrijven die er zijn.

Bon, wij dus het “marktplein” overgestoken en de boot naar de gemeente met de minste inwoners van Nederland. Op 31 januari van dit jaar waren er 982 inwoners.

Schiermonnikoog is vanuit het westen het vijfde bewoonde Waddeneiland. Het eiland wordt geprezen om zijn rust, die onder andere in stand wordt gehouden doordat bezoekers hun auto op de vaste wal in de haven van Lauwersoog moeten achterlaten.

In de middeleeuwen was Schiermonnikoog een uithof van het cisterciënzerklooster Claercamp uit Rinsumageest bij Dokkum, een van de kloosters in Friesland. De monniken van het klooster, die land indijkten, droegen grijze pijen. Zo ontstond de naam: schier betekent grijs, en oog betekent eiland (en is etymologisch hetzelfde als ei in eiland). De naam Schiermonnikoog wordt voor het eerst genoemd in 1440 in een akte (van Philips van Bourgondië). In 1580 werd Friesland protestants. Het klooster verloor alle bezittingen, en Schiermonnikoog werd onderdeel van het gewest Friesland.

Je kan er eindeloos wandelen (ook waddenlopen) maar wij kozen toch maar voor de fiets. Ik had de 18 km lange Trekvogelroute gevonden, een fietstocht die je langs enkele bezienswaardigheden voert zoals de Noordertoren, Bunker Wasserman en Begraafplaats Vredenhof.

Aanvankelijk werden aangespoelde drenkelingen op Schiermonnikoog begraven in de duinen. In de 19e eeuw werd dit verboden. In 1863 werden zeven bemanningsleden van een gestrand Zweeds schip begraven op de plek in de buurt van het latere Vredenhof. Ook later werd er nog een drenkeling in deze omgeving begraven. In 1917 namen enkele inwoners van Schiermonnikoog het initiatief voor de stichting van Vredenhof, een begraafplaats voor de aangespoelde drenkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ook drenkelingen uit de Tweede Wereldoorlog liggen hier begraven. Het is dan ook een Commonwealth War Graves kerkhof. We vermoeden dat onze buren hier in het park daar ook geweest zijn of er nog moeten komen. Onze buren zijn immers Westvlamingen van de Commonwealth War Graves Commission. Ze zijn hier met drie busjes.

Op de terugweg hadden we nog het geluk van een zeehond te spotten. Die lag rustig te genieten van de zon op een zandbankje.

Het was weer een heel leuke zij het ook wel vermoeiende dag. Het was niet eenvoudig om een kleine selectie van foto’s te maken.

Onze tocht:

(Niet) Naar Pikhakendonk

Laatste dag van onze vakantie vóór we morgenvroeg terug naar de realiteit moeten en terug moeten gaan (thuis)werken.

We wilden het rustig aan doen maar toch ook een wandelingetje meepakken. Waarom dan niet voor de Pikhakendonkwandeling? Dan kunnen we vertrekken vanuit Rijmenam dat maar op een boogscheut van Peulis ligt. Bovendien is die maar een goeie 5 km lang.

Zo gezegd, zo gedaan maar we hadden ons toch beter moeten voorbereiden. De wagen lieten we achter in het centrum van Rijmenam om dan naar de brug over de Dijle te stappen en zo richting het vertrekpunt te wandelen.

Alleen … dat vertrekpunt leek maar niet te komen. We hadden al 2,6 km op de teller staan toen we toch een bordje leken te zien. Maar daar leek het bij te blijven, bij dat ene bordje.

Om niet het risico te lopen van opnieuw meer dan 10 km te doen hebben we er dan maar de Garmin GPS bijgenomen en een alternatieve route via het pittoreske Hever gezocht.

Uiteindelijk hadden we 8,70 km op de teller toen we terug aan de auto stonden.

Het was wel een heel mooie wandeling maar de Pikhakendonk zal voor een andere keer zijn.