Fungus

Twee dagen … Nog maar twee dagen …

Zolang is het dat onze vakantie gedaan is en het lijkt wel alsof het al twee maanden is.

Druk, druk, druk op het werk.

Gelukkig is het herfstseizoen ook begonnen. Uiteraard heeft dat ook zijn nadelen zoals regen, wind, onweer en het vroeger donker worden.

Maar het heeft ook zoveel voordelen zoals minder warm zijn, het verkleuren van de bladeren en uiteraard ook paddenstoelen.

Ik ben geen fan van schimmels op voedingswaren maar als ze in het bos staan dan zie ik ze heel graag. Daarom gaat tegenwoordig altijd de fotocamera mee op mijn korte afterworkwandelingen.

Stadspark Turnhout

De vakantie loopt stilaan op zijn einde. Daarom nog eens van de gelegenheid gebruik gemaakt om een uitstapje met moeder te doen.

Deze namiddag trokken we naar Turnhout voor een bezoekje aan het stadspark.

Vroeger kwamen we geregeld in Turnhout maar de laatste tijd iets minder. Het Stadspark was echter voor beide onbekend gebied.

Toch kan je er mooi wandelen. Vanuit het standbeeld ter ere van de politieke gevangenen vertrekken vier wandellussen. Elke wandeling heeft een kaart als symbool gekregen: harten, ruiten, schoppen, klaveren. Dit sluit uiteraard aan bij de speelkaarten waarvoor Turnhout wereldberoemd is.

Normaal gezien rijden er ook miniatuur stoomtreintjes maar dat is in Corona-tijden niet mogelijk.

Mispeldonk

Gisteren met moeder naar het Domein de Renesse in Oostmalle en vandaag weer met Conny op pad naar Bonheiden.

De dag begon evenwel met een bezoekje aan de diëtiste in Herentals (de strijd tegen diabetes houdt immers nooit op en moet op verschillende fronten worden gestreden 😉 ).

Maar in de namiddag stonden we aan de kerk van Bonheiden waar de Mispeldonkwandeling begint. Het duurde even voor we op het juiste spoor zaten maar al snel zaten we in de natuur.

Mispeldonk is een natuurgebied ten zuiden van Bonheiden, tussen de Boeimeer en de Dijle. Het gebied is voor het grootste deel eigendom van Natuurpunt en sluit aan bij het Mechels Broek en Cassenbroek. Samen vormen ze een nagenoeg aaneengesloten natuurgebied.

Het gebied bevat verschillende soorten landschappen: van schrale graslanden, hooiweiden met houtkanten, vochtige loofbosjes tot herstelde heidegebiedjes.

Het landschap kreeg vorm op het einde van de laatste ijstijd, zo’n 10 000 jaar geleden. De Mispeldonkhoeve die haar naam gaf aan het gebied, werd reeds vermeld in 1330. (Bron : Wikipedia)

Domein de Renesse

Verborgen tussen de steenweg naar Turnhout en de steenweg naar Zoersel ligt in Oostmalle het Domein de Renesse.

Tussen 1431 en 1464 bouwde Willem van Berchem in Oostmalle een kasteel. In 1501 huwde diens kleindochter Anna van Hamal met Frederik van Renesse, afstammeling van het beroemde Zeeuwse geslacht en o.m. drossaard van Breda, raadsheer van Keizer Karel V en stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland.

Na Frederiks dood in 1538 volgde zijn zoon Jan hem op. Hij huwde Elisabeth van Nassau, bastaarddochter van graaf Hendrik van Nassau, oom van Willem de Zwijger.

De Gelderse hertog Willem van Gulik kwam in opstand tegen keizer Karel V. Zijn troepen, geleid door de beruchte Maarten van Rossum, brandschatten de Kempen. Het dorp en het kasteel werden platgebrand in 1542. Slechts de slottoren en de kerktoren bleven overeind.

Tussen 1545 en 1548 bouwt Jan van Renesse een nieuw kasteel. De oude toren werd in de hoefijzervormige dienstgebouwen geïntegreerd. Een brug verbond het neerhof en het opperhof. Het Herenhuis was een prachtig vierkant gebouw met vier hoektorens. De daken waren met pannen en de torens met goudkleurige leisteen bedekt, waardoor ze een schitterende aanblik boden. Bewoond door een familie met aanzien, lag het op de reisweg van heel wat groten der aarde. Als gasten zijn Keizer Karel V, Margaretha van Parma, graaf en gravin van Egmont, Willem van Oranje en vele anderen te noteren.

De broederstrijd tussen noord en zuid liet diepe sporen na. De goederen van Frederik, Jans zoon en opvolger, werden zelfs door de Hertog van Alva in beslag genomen.

Tussen 1790 en 1800 geraakte het domein volledig in verval. In 1830 verkocht graaf Clement-Wenceslas de Renesse-Breidbach het kasteeldomein van Oostmalle aan burggraaf Léonard du Bus de Gisignies, commissaris-generaal van Nederlands Oost-Indië. Nadien werd hij door Willem I tot minister van staat benoemd.

Hij vormde het oude neerhof om tot een leefbaar landhuis met grote ramen en binneninrichting in empirestijl. Hij breidde het omliggende domein uit en legde een typische Engelse tuin met merkwaardige bomen, o.a. Sequoia’s of mammoetbomen aan.

Tijdens de beide wereldoorlogen namen de Duitsers intrek in het kasteel. Een Duitse onderofficier pleegde een moord en zelfmoord en zijn geest blijft er rondwaren. In 1944 werd het een veldhospitaal voor Engelse en Canadese soldaten.

Terwijl ik met Conny in Henegouwen zat was mijn moeder even op het domein geweest tijdens een fietstochtje met mijn broer. Gelegenheid om te wandelen was er toen niet. Dat hebben we vandaag goedgemaakt. Ruim 4,5 km hebben we door het 20 ha grote domein.

Het was de verplaatsing naar Oostmalle meer dan waard, ook al waren er weinig paddenstoelen te zien 😉.

Stad van saxofoons, citadel en martelaren

Vandaag, op onze laatste volledige vakantiedag, een overstapje gemaakt naar buurprovincie Namen en meer bepaald naar Dinant.

Al in de oertijd was de omgeving van Dinant bewoond. Ook de Romeinen en de Kelten waren geen vreemden voor Dinant.

In de 11de eeuw ging Dinant behoren tot de Goede Steden van het prinsbisdom Luik, de tweede in belang. De stad stond bekend om zijn koperslagers, wat tot de belangrijkste beroepen van die tijd behoorde. Dinanderie was een begrip in Europa. zinkerts werd aangevoerd langs de Maas uit Kelmis en werd met koper verwerkt tot messing.

Na een opstand in het kader van de Luiks-Bourgondische Oorlogen lieten hertog Filips de Goede en zijn zoon Karel de Stoute in 1466 de stad plunderen en verwoesten. Karel de Stoute gaf het bevel om het gilde van koperslagers uit te roeien en ze daartoe twee aan twee geboeid in de Maas te werpen. 800 bewoners van de stad vonden daardoor de dood en de stad werd systematisch met de grond gelijkgemaakt. De koperslagers die aan de slachting wisten te ontkomen, verspreidden zich en brachten hun kennis naar andere steden. Pas na Karels dood in 1477 kon een begin worden gemaakt met de reconstructie. De stad kwam opnieuw tot bloei, zij het op een lager pitje.

In de 19e eeuw was dinanderie uit de mode geraakt. De economie heroriënteerde zich op leerlooien en het vervaardigen van speelkaarten, en ook de couques de Dinant verschenen in deze periode.

Van 15 tot en met 22 augustus 1914 werd het naar het zuiden oprukkende Duitse leger bij Dinant gestuit door Franse troepen. De gevechten waren hevig – onder meer luitenant Charles de Gaulle werd gewond afgevoerd. Na het uitschakelen van de Franse weerstand executeerden de Duitsers op 23 augustus 1914 in totaal 674 inwoners van Dinant. Onder deze “franc-tireurs” waren 26 mannen tussen 65 en 75 jaar, 76 vrouwen, en 37 kinderen, met inbegrip van de drie weken oude Félix Fivet. Alice Colin schreef hierover het boek Le sac de Dinant en 1914. Dinant raakte voor 80% verwoest. Door deze wreedheden tegen haar burgerbevolking behoort Dinant tot de zeven Belgische martelaarsteden. (Bron : Wikipedia)

Dinant is ook de geboortestad van Adolphe Sax en dat ze daar trots op zijn (of … dat ze dat uitmelken?) is alom te zien. Alles staat in het teken van de saxofoon.

Ook Joachim Patinir (pionier van de landschapsschilderkunst) en Pater Pire (oprichter van Vredeseilanden en Nobelprijswinnaar) zijn geboren in Dinant.

En dan heb je nog de Citadel van Dinant die je kan bereiken via een télépherique of een trap met 408 treden. Wij hadden in de toeristische dienst echter een foldertje gehaald met daarop 3 stadswandelingen en de wandeling naar de Citadel bracht ons langs de achterkant binnen. Zowel de beklimming als de afdaling waren bijzonder steil maar gelukkig was het niet te warm.

Na de sur les coteaux wandeling hebben we nog de sur les quais wandeling gedaan en om af te sluiten de wandeling Vers Leffe, de abdij van de Norbertijnen, afgewerkt.

Uiteindelijk stonden er 11 km op de teller en konden we de terugreis naar onze bungalow aanvatten. Morgen moeten we helaas al terug naar huis.

De bossen van Havré

Ook voor vandaag werden nog vrij hoge temperaturen voorspeld. Daarom kozen we voor de meest bosrijke wandeling uit onze Lannoo Gids voor Henegouwen. Wandeling 15 uit die gids bracht ons naar Havré en zijn bossen.

Deze bossen hoorden ooit toe aan de prinsen de Cröy, hertogen van Havré maar zijn sinds zowat een eeuw staatseigendom.

Voor ons betekenden ze vooral veel schaduw die het aangenaam wandelen maakten.

We vertrokken op het dorpsplein aan de 16e eeuwse Eglise Saint-Martin. Al snel waren we het dorp uit en via heel smalle paadjes bereikten we de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Goedertierenheid. Deze kapel werd in 1625 gebouwd op de plaats van een lindenboom met een miraculeus Mariabeeldje.

Even later zaten we echt in de bossen van Havré. Het bos vormt met zijn eiken, essen, wilde kersenbomen, lariksen, dennen en andere boomsoorten een groene long in het hinterland van Bergen. Aan de rand van het bos zijn er ook ondergelopen steengroeven maar die zijn privé-eigendom en dus niet toegankelijk.

We passeerden ook de Chapelle Saint-Antoine-en-Barbefosse (die helaas ook afgesloten is voor het publiek. Al in 1382 stond daar in een put (barbefosse = kuil) een kapel toegewijd aan Antonius Kluizenaar. Er vonden enkele miraculeuze genezingen plaats zodat de bevolking van Bergen er tijdens een epidemie in 1382 massaal kwam bidden. Vanaf 1420 was de kapel de zetel van de ridderorde van Sint-Antonius. Maar nu staat ze dus afgeschermd door een groot hek en kan je ze enkel van op afstand bewonderen.

Net voor we terug aan onze vertrekplaats waren passeerden we nog het Kasteel van Havré en vooral zijn schitterende rozentuin. Al in 1266 werd er een kasteel vermeld. Het werd herhaaldelijk belegerd, vernield, vergroot en verbouwd. Aan het einde van de 16de eeuw herrees onder impuls van Charles Alexander de Cröy een indrukwekkend gebouw. Tal van beroemde gasten zoals Rubens, Van Dyck, Maria de Medici, Aartshertogin Isabella werden er verwelkomd. Na de Franse revolutie trad het verval in. In 1839 deed de familie de Cröy afstand van het domein.

In 1978 hebben enkele inwoners van Havré onder leiding van historicus Emile Poumon een vzw opgericht en is men begonnen met de restauratie.

Naast de ingang van het kasteel ligt een 6000 m² grote rozentuin die werd aangelegd in 1999-2000 en die zo’n 15.000 rozenstruiken van ruim 200 rozensoorten bevat. Ook andere bloemensoorten zijn overvloedig aanwezig. Enkel de tuin alleen is al zeker een bezoekje waard.

Na afloop stond er een kleine 10km op de teller. Dankzij de schaduwrijke bossen hebben we die goed kunnen verteren.

Les Lacs de l’Eau d’Heure

De voorspelde hoge temperaturen en de vele klimmeters van gisteren in Thuin deden ons besluiten om het vandaag rustig aan te doen.

De auto mocht een dagje rusten. Onze wandeling voor vandaag vertrok immers aan de voordeur van onze bungalow.

Al vrij snel zaten we aan de oevers van het Lac de l’Eau d’Heure en dat meer zouden we blijven volgen tot aan de Barrage de la Plate Taille.

De Meren van de Eau d’Heure zijn kunstmatig aangelegde meren op het stroomverloop van de Eau d’Heure. Ze ontstonden in de jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De meren met een gezamenlijke oppervlakte van 6,17 km² vormen het grootste watergebied in België. In totaal zijn er vijf meren met een gezamenlijke oeverlengte van 70 km.

Het gebied omvat de volgende meren, telkens met hun eigen stuwdam:

  • la Plate Taille
  • meer van Feronval
  • meer van de Eau d’Heure
  • meer van Ry Jaune
  • meer van Falemprise

In dit gebied is La Plate Taille met een oppervlakte van 3,74 km² het grootste meer van België. Bij maximale vulling van het meer kan de diepte 43 m bedragen aan de voet van de helling. Het water van het kunstmatig meer is vrij helder en vaak staat er wat stroming. Het meer herbergt een groot aantal vissen.(Bron: Wikipedia)

Het was onder de bomen naast het meer aangenaam wandelen. Het laatste stuk viel de schaduw echter weg en leek ik een beetje last te krijgen oververhitting. Dat deed ons besluiten om dezelfde weg terug te wandelen. We zouden eerst een andere route nemen maar de kans op schaduw leek ons daar te klein.

Terug aangekomen bij de bungalow hadden we bijna 9 km op de teller. Een goeie douche, een smakelijke hap en de rest van de namiddag genieten op ons schaduwrijk terras van een goed boek en uiteraard ook van de talloze vogeltjes op het grasveldje vóór (en soms zelfs op) ons terras.

Thuin en de hangende tuinen

Er staan een hele hoop zaken op ons to-do-lijstje maar één ding moesten we absoluut zeker afvinken tijdens deze vakantie … een bezoekje aan Thuin en zijn hangende tuinen.

Thuin is een oude stad. Het wordt al in de negende eeuw vermeld onder de naam Tudinium Castellum en was eigendom van de Abdij van Lobbes.

In 888 ging Thuin samen met Lobbes deel uitmaken van het prinsbisdom Luik. De stad bereikte haar grootste bloeiperiode onder prins-bisschop Notger (10e – begin 11e eeuw), die haar snel van indrukwekkende vestingwerken voorzag, gezien haar strategische ligging aan de grens van zijn prinsbisdom. Sindsdien was Thuin de meest westelijke van de Goede Steden van het prinsbisdom Luik.

De Engelse industrieel Thomas Bonehill richtte begin 19e eeuw verschillende metaalfabrieken op in de bossen rond Thuin, waar historisch veel laagovens actief waren. Er was ook een kanonfabriek en een spoorontsluiting via het station Hourpes. De 19e eeuw kende grote spanningen tussen de laagstad, waar de arbeiders woonden, en de bovenstad van aristocraten, religieuzen en militairen. De arbeiders, die werkten in molens op de Biesmelle, in leerlooierijen en in de tabakskweek, werden denigrerend makas genoemd (smeedhamers). Zelf spraken ze over de hoogstedelingen als catulas (dieven).

De kanalisering van de Samber in 1829 zorgde voor tewerkstelling in de scheepsbouw. In Thuin waren niet minder dan vijf werven waar binnenschepen werden gebouwd. Ook de spoorwegen brachten welvaart. Thuin lag op de lijn Parijs-Brussel-Keulen en kreeg mondaine allures toen de gemeente eind 19e eeuw een casino opende. In het kielzog kwam ander vermaak, zoals luxewinkels, pedalo’s en een “strand”. Het casino werd in 1901 gesloten en in 2018 afgebroken. (Bron : Wikipedia)

Vandaag is het een stadje waar je heel mooi kan wandelen maar je mag niet vergeten stevige schoenen aan te doen. Er zijn meerdere stevige beklimmingen, vaak op moeilijk begaanbare kasseien.

Wij hadden bij het Toeristische Dienst een wandelkaart met 3 wandelingen gehaald, telkens vertrekkend aan het Belfort waar die dienst is gevestigd. Onderweg besloot ik om de hangende tuinenwandeling te combineren met de binnenvaartwandeling. Conny zal zeggen dat ik het weer beter wist en dat ik verkeerd ben gelopen maar dat moet je niet geloven hoor 😉.

Wat er ook van is … Thuin is zeker een bezoekje waard. Wij hebben het ons alvast niet beklaagd.

Balade du Grand Cerf

De 14,5 km van gisteren lieten zich nog goed voelen en aangezien ik noch Conny nog jongelingen van 20 jaar zijn (al ziet zij er natuurlijk wel zo uit 😉) mocht het vandaag wat rustiger aan.

We reden een kleine 8 kilometer van onze bungalow naar de Barrage de Féronval om daar de Balade du Grand Cerf te doen, een wandeling van een goeie 8 km.

Vertrekken deden we aan het Jetski-gedeelte van de meren. We waren trouwens al even onderweg toen we doorhadden dat we de wandeling in omgekeerde richting aan ’t doen waren maar op zich was dat geen probleem.

Het was een mooie, rustige wandeling, voornamelijk doorheen schaduwrijke bossen maar wel op een asfalten (fiets)pad.

Niet de meest fotogenieke wandeling ooit maar wel heel rustgevend. Net wat we nodig hadden na gisteren.

Ondertussen zitten we terug in onze bungalow te relaxen en te genieten van de vogeltjes op ons terras. Het is tenslotte zondag.

Wadelincourt en Beloeil

Dag 2 in Henegouwen en onmiddellijk de dag met de langste wandeling : ruim 14,50 km van Wadelincourt naar het Kasteel van Beloeil en terug … wandeling 10 uit de Lannoo gids “Wandelen in Henegouwen”.

Het vertrekpunt Wadelincourt lag wel iets verder van Froidchapel dan we dachten maar we hebben toch tijd genoeg dus geen probleem.

De auto lieten we achter aan de kerk van Saint-Vendégésile, een bedevaartkerk te ere van de heilige Charalampus, een Griekse heilige die in de vroege middeleeuwen de marteldood stierf en wiens hulp wordt ingeroepen voor veeziekten. De kerk bezit enkele relieken van de heilige die op enkele plaatsen in Henegouwen worden vereerd.

Via een smalle veldweg ging het richting Beloeil. Daar hebben we een “ommetje” van 2 km gemaakt zodat we onze sandwiches konden opeten met het kasteel, de grote vijver en het beeld van Neptunus (althans de achterkant) als uitzicht. Er zijn slechtere plekken om te lunchen. Het kasteel bezoeken hebben we niet gedaan.

De terugweg ging via Quevaucamps, ooit het centrum van het breigoed met ruim 150 fabrieken en 1.500 tewerkgestelden. Nu resten er nog slechts twee textielbedrijven.

Toen we terug aan de auto waren stonden er 14,5 km op de teller en was het te voelen dat het alweer een tijdje geleden was dat we nog eens zo’n afstand hadden gedaan. 

Morgen doen we het iets rustiger aan 😉