Ook mooi zonder hyacinten

Het is het cliché der clichés maar aan alle mooie liedjes komt echt wel een eind en dat geldt dus ook voor onze vakantie in Henegouwen. 

Aanvankelijk waren we van plan om onderweg van Froidchapelle naar Peulis een tussenstop te maken in Eigenbrakel en een bezoekje te brengen aan de Leeuw van Waterloo. Dat bleek met alle Coronatoestanden echter niet vanzelfsprekend.

Bovendien was het vandaag de laatste dag van de directeur van Conny en als we een beetje moeite deden dan was het een kleintje om nog een extra tussenstop te maken in Mechelen zodat ze nog afscheid kon nemen.

Daarom besloten we om op weg naar huis even halt te houden in Halle en een wandeling te doen in het Hallerbos. Iedereen kent dat waarschijnlijk van de jaarlijkse volksverhuizing in de lente om naar de tapijten van blauwe boshyacinten te gaan kijken. Maar het bos biedt zoveel meer. Je kan er 3 afgepijlde wandelingen doen waarvan de 7km lange Reebokwandeling de langste is. Uiteraard (😉) kozen wij voor die wandeling. Het bos heeft trouwens een link met Henegouwen. 

De oudste vermelding van het Hallerbos dateert uit 686. De (heilige) Waltrudis, uit het huis der Merovingers, bezat een landgoed op de plek waar nu de stad Halle ligt. Zij schonk dit landgoed in 686 aan het kapittel van de abdij van Bergen die zij in 661 had gesticht. Tot dat landgoed behoorde ook een uitgestrekt bos op de heuvels ten oosten van de stad. Door erfenissen kregen later achtereenvolgens de graven van Henegouwen, de hertogen van Bourgondië en de Habsburgse vorsten voogdijschap over Halle en omgeving. Omdat het zo afgelegen was, lieten de Henegouwse landheren reeds in 1228 het beheer over aan het kapittel van Brussel dat daarvoor 1/3 van de opbrengst kreeg.

In 1648 gaf koning Filips IV van Spanje de stad Halle samen het Hallerbos aan de hertog van Arenberg, als onderpand voor een lening. Toen de koning zijn schuld niet tijdig kon aflossen, verwierf de hertog in 1655 twee derden van het bos, gezamenlijk toen nog 900 bunders groot (d.i. ongeveer 1.125 ha). Het Sint-Waltrudiskapittel van Bergen bleef eigenaar van één derde.

Na een periode van gemeenschappelijk beheer rezen er moeilijkheden tussen beide eigenaars. Om een einde te maken aan de eindeloze ruzies, besloten zij uit onverdeeldheid te treden, en daartoe lieten zij het bos in 1779 opmeten. Ze plaatsten 24 piramidevormige “meerstenen” of grenspalen met aan de ene kant het opschrift SW (“van Sint-Waltrudis”) en aan de andere kant AR (“voor Arenberg”). Daarvan staan er nog altijd negentien stuks op de oorspronkelijke scheidingslijn in het bos. Tezelfdertijd werd vastgesteld dat de totale oppervlakte van het bos op dat ogenblik reeds verminderd was tot 531 bunders (= 644 ha), wegens omvorming tot landbouwgrond.

Tijdens de Franse overheersing werd, als gevolg van de Revolutie, het kapittel van Bergen opgeheven, waardoor de Arenbergs ook in het bezit kwamen van het resterende derde deel. Als eigenaars van nog andere grote bosgebieden (onder meer Heverleebos en Meerdaalwoud) stimuleerden de hertogen een degelijk bosbeheer.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog liet de Duitse bezetter alle grote bomen omhakken (onder meer voor hout in de loopgraven), zodat het Hallerbos vrijwel geruïneerd werd achtergelaten. Na de oorlog werd het domein onder sekwester geplaatst en in 1930 kwam het in het bezit van de Belgische Staat, bij wijze van oorlogsschadevergoeding. Het bos is ten slotte herbebost tussen de jaren 1930 en 1950, wat het relatief jeugdig aspect ervan verklaart.

Onteigeningen voor de aanleg van de E19-autosnelweg Brussel-Parijs in 1974 verminderden de oppervlakte van het Hallerbos nog eens met 25 ha. Als gevolg van de Belgische federalisatie werd het bosbeheer in 1983 opgesplitst tussen het Vlaamse (met 511 ha) en het Waalse Gewest (met 48 ha op het grondgebied van Woutersbrakel, gemeente Kasteelbrakel). ( Bron : Wikipedia)

Toen we terug aan onze auto stonden hadden we op de kop af 10 km gestapt. 10 behoorlijk pittige kilometers want er waren behoorlijk wat steile beklimmingen en afdalingen. Maar het waren ook 10 bijzonder mooie en vooral heel rustige kilometers.

Na enkele korte files op de Brusselse Ring waren we trouwens nog ruim op tijd in Mechelen voor het afscheid.

Het aftellen naar de volgende vakantie kan beginnen.

Stad van saxofoons, citadel en martelaren

Vandaag, op onze laatste volledige vakantiedag, een overstapje gemaakt naar buurprovincie Namen en meer bepaald naar Dinant.

Al in de oertijd was de omgeving van Dinant bewoond. Ook de Romeinen en de Kelten waren geen vreemden voor Dinant.

In de 11de eeuw ging Dinant behoren tot de Goede Steden van het prinsbisdom Luik, de tweede in belang. De stad stond bekend om zijn koperslagers, wat tot de belangrijkste beroepen van die tijd behoorde. Dinanderie was een begrip in Europa. zinkerts werd aangevoerd langs de Maas uit Kelmis en werd met koper verwerkt tot messing.

Na een opstand in het kader van de Luiks-Bourgondische Oorlogen lieten hertog Filips de Goede en zijn zoon Karel de Stoute in 1466 de stad plunderen en verwoesten. Karel de Stoute gaf het bevel om het gilde van koperslagers uit te roeien en ze daartoe twee aan twee geboeid in de Maas te werpen. 800 bewoners van de stad vonden daardoor de dood en de stad werd systematisch met de grond gelijkgemaakt. De koperslagers die aan de slachting wisten te ontkomen, verspreidden zich en brachten hun kennis naar andere steden. Pas na Karels dood in 1477 kon een begin worden gemaakt met de reconstructie. De stad kwam opnieuw tot bloei, zij het op een lager pitje.

In de 19e eeuw was dinanderie uit de mode geraakt. De economie heroriënteerde zich op leerlooien en het vervaardigen van speelkaarten, en ook de couques de Dinant verschenen in deze periode.

Van 15 tot en met 22 augustus 1914 werd het naar het zuiden oprukkende Duitse leger bij Dinant gestuit door Franse troepen. De gevechten waren hevig – onder meer luitenant Charles de Gaulle werd gewond afgevoerd. Na het uitschakelen van de Franse weerstand executeerden de Duitsers op 23 augustus 1914 in totaal 674 inwoners van Dinant. Onder deze “franc-tireurs” waren 26 mannen tussen 65 en 75 jaar, 76 vrouwen, en 37 kinderen, met inbegrip van de drie weken oude Félix Fivet. Alice Colin schreef hierover het boek Le sac de Dinant en 1914. Dinant raakte voor 80% verwoest. Door deze wreedheden tegen haar burgerbevolking behoort Dinant tot de zeven Belgische martelaarsteden. (Bron : Wikipedia)

Dinant is ook de geboortestad van Adolphe Sax en dat ze daar trots op zijn (of … dat ze dat uitmelken?) is alom te zien. Alles staat in het teken van de saxofoon.

Ook Joachim Patinir (pionier van de landschapsschilderkunst) en Pater Pire (oprichter van Vredeseilanden en Nobelprijswinnaar) zijn geboren in Dinant.

En dan heb je nog de Citadel van Dinant die je kan bereiken via een télépherique of een trap met 408 treden. Wij hadden in de toeristische dienst echter een foldertje gehaald met daarop 3 stadswandelingen en de wandeling naar de Citadel bracht ons langs de achterkant binnen. Zowel de beklimming als de afdaling waren bijzonder steil maar gelukkig was het niet te warm.

Na de sur les coteaux wandeling hebben we nog de sur les quais wandeling gedaan en om af te sluiten de wandeling Vers Leffe, de abdij van de Norbertijnen, afgewerkt.

Uiteindelijk stonden er 11 km op de teller en konden we de terugreis naar onze bungalow aanvatten. Morgen moeten we helaas al terug naar huis.

Les Lacs de l’Eau d’Heure

De voorspelde hoge temperaturen en de vele klimmeters van gisteren in Thuin deden ons besluiten om het vandaag rustig aan te doen.

De auto mocht een dagje rusten. Onze wandeling voor vandaag vertrok immers aan de voordeur van onze bungalow.

Al vrij snel zaten we aan de oevers van het Lac de l’Eau d’Heure en dat meer zouden we blijven volgen tot aan de Barrage de la Plate Taille.

De Meren van de Eau d’Heure zijn kunstmatig aangelegde meren op het stroomverloop van de Eau d’Heure. Ze ontstonden in de jaren zeventig van de twintigste eeuw.

De meren met een gezamenlijke oppervlakte van 6,17 km² vormen het grootste watergebied in België. In totaal zijn er vijf meren met een gezamenlijke oeverlengte van 70 km.

Het gebied omvat de volgende meren, telkens met hun eigen stuwdam:

  • la Plate Taille
  • meer van Feronval
  • meer van de Eau d’Heure
  • meer van Ry Jaune
  • meer van Falemprise

In dit gebied is La Plate Taille met een oppervlakte van 3,74 km² het grootste meer van België. Bij maximale vulling van het meer kan de diepte 43 m bedragen aan de voet van de helling. Het water van het kunstmatig meer is vrij helder en vaak staat er wat stroming. Het meer herbergt een groot aantal vissen.(Bron: Wikipedia)

Het was onder de bomen naast het meer aangenaam wandelen. Het laatste stuk viel de schaduw echter weg en leek ik een beetje last te krijgen oververhitting. Dat deed ons besluiten om dezelfde weg terug te wandelen. We zouden eerst een andere route nemen maar de kans op schaduw leek ons daar te klein.

Terug aangekomen bij de bungalow hadden we bijna 9 km op de teller. Een goeie douche, een smakelijke hap en de rest van de namiddag genieten op ons schaduwrijk terras van een goed boek en uiteraard ook van de talloze vogeltjes op het grasveldje vóór (en soms zelfs op) ons terras.

Thuin en de hangende tuinen

Er staan een hele hoop zaken op ons to-do-lijstje maar één ding moesten we absoluut zeker afvinken tijdens deze vakantie … een bezoekje aan Thuin en zijn hangende tuinen.

Thuin is een oude stad. Het wordt al in de negende eeuw vermeld onder de naam Tudinium Castellum en was eigendom van de Abdij van Lobbes.

In 888 ging Thuin samen met Lobbes deel uitmaken van het prinsbisdom Luik. De stad bereikte haar grootste bloeiperiode onder prins-bisschop Notger (10e – begin 11e eeuw), die haar snel van indrukwekkende vestingwerken voorzag, gezien haar strategische ligging aan de grens van zijn prinsbisdom. Sindsdien was Thuin de meest westelijke van de Goede Steden van het prinsbisdom Luik.

De Engelse industrieel Thomas Bonehill richtte begin 19e eeuw verschillende metaalfabrieken op in de bossen rond Thuin, waar historisch veel laagovens actief waren. Er was ook een kanonfabriek en een spoorontsluiting via het station Hourpes. De 19e eeuw kende grote spanningen tussen de laagstad, waar de arbeiders woonden, en de bovenstad van aristocraten, religieuzen en militairen. De arbeiders, die werkten in molens op de Biesmelle, in leerlooierijen en in de tabakskweek, werden denigrerend makas genoemd (smeedhamers). Zelf spraken ze over de hoogstedelingen als catulas (dieven).

De kanalisering van de Samber in 1829 zorgde voor tewerkstelling in de scheepsbouw. In Thuin waren niet minder dan vijf werven waar binnenschepen werden gebouwd. Ook de spoorwegen brachten welvaart. Thuin lag op de lijn Parijs-Brussel-Keulen en kreeg mondaine allures toen de gemeente eind 19e eeuw een casino opende. In het kielzog kwam ander vermaak, zoals luxewinkels, pedalo’s en een “strand”. Het casino werd in 1901 gesloten en in 2018 afgebroken. (Bron : Wikipedia)

Vandaag is het een stadje waar je heel mooi kan wandelen maar je mag niet vergeten stevige schoenen aan te doen. Er zijn meerdere stevige beklimmingen, vaak op moeilijk begaanbare kasseien.

Wij hadden bij het Toeristische Dienst een wandelkaart met 3 wandelingen gehaald, telkens vertrekkend aan het Belfort waar die dienst is gevestigd. Onderweg besloot ik om de hangende tuinenwandeling te combineren met de binnenvaartwandeling. Conny zal zeggen dat ik het weer beter wist en dat ik verkeerd ben gelopen maar dat moet je niet geloven hoor 😉.

Wat er ook van is … Thuin is zeker een bezoekje waard. Wij hebben het ons alvast niet beklaagd.

Balade du Grand Cerf

De 14,5 km van gisteren lieten zich nog goed voelen en aangezien ik noch Conny nog jongelingen van 20 jaar zijn (al ziet zij er natuurlijk wel zo uit 😉) mocht het vandaag wat rustiger aan.

We reden een kleine 8 kilometer van onze bungalow naar de Barrage de Féronval om daar de Balade du Grand Cerf te doen, een wandeling van een goeie 8 km.

Vertrekken deden we aan het Jetski-gedeelte van de meren. We waren trouwens al even onderweg toen we doorhadden dat we de wandeling in omgekeerde richting aan ’t doen waren maar op zich was dat geen probleem.

Het was een mooie, rustige wandeling, voornamelijk doorheen schaduwrijke bossen maar wel op een asfalten (fiets)pad.

Niet de meest fotogenieke wandeling ooit maar wel heel rustgevend. Net wat we nodig hadden na gisteren.

Ondertussen zitten we terug in onze bungalow te relaxen en te genieten van de vogeltjes op ons terras. Het is tenslotte zondag.

Wadelincourt en Beloeil

Dag 2 in Henegouwen en onmiddellijk de dag met de langste wandeling : ruim 14,50 km van Wadelincourt naar het Kasteel van Beloeil en terug … wandeling 10 uit de Lannoo gids “Wandelen in Henegouwen”.

Het vertrekpunt Wadelincourt lag wel iets verder van Froidchapel dan we dachten maar we hebben toch tijd genoeg dus geen probleem.

De auto lieten we achter aan de kerk van Saint-Vendégésile, een bedevaartkerk te ere van de heilige Charalampus, een Griekse heilige die in de vroege middeleeuwen de marteldood stierf en wiens hulp wordt ingeroepen voor veeziekten. De kerk bezit enkele relieken van de heilige die op enkele plaatsen in Henegouwen worden vereerd.

Via een smalle veldweg ging het richting Beloeil. Daar hebben we een “ommetje” van 2 km gemaakt zodat we onze sandwiches konden opeten met het kasteel, de grote vijver en het beeld van Neptunus (althans de achterkant) als uitzicht. Er zijn slechtere plekken om te lunchen. Het kasteel bezoeken hebben we niet gedaan.

De terugweg ging via Quevaucamps, ooit het centrum van het breigoed met ruim 150 fabrieken en 1.500 tewerkgestelden. Nu resten er nog slechts twee textielbedrijven.

Toen we terug aan de auto waren stonden er 14,5 km op de teller en was het te voelen dat het alweer een tijdje geleden was dat we nog eens zo’n afstand hadden gedaan. 

Morgen doen we het iets rustiger aan 😉

De stad van Elio

We hebben er lang op moeten wachten maar vandaag is het dan zover … onze vakantie.

Aanvankelijk zouden we naar de Vulkaneiffel gaan maar dat hebben we, uiteraard omwille van de Corona, omgeboekt naar Henegouwen. Onze uitvalsbasis is het Landal Bungalowpark aan het Lac d’Eau d’Heure.

Op onze eerste dag hebben we een stop gemaakt in Mons, hoofdstad van Henegouwen. Onder Boudewijn IV (1120-1171) werd begonnen met de bouw van een omwalling rond de burcht van de Graven van Bergen en kan men spreken van een stad. Gravin Margaretha II van Vlaanderen stichtte in 1248 een begijnhof, en de toename van de bevolking maakte rond 1290 de aanleg van een tweede, grotere stadsmuur noodzakelijk. Deze stadsmuur was ongeveer 4,5 km lang en had zes poorten. In 1295 werd Bergen de hoofdplaats van het graafschap Henegouwen. De lakennijverheid legde de basis van een economische bloei, die pas zou eindigen in de 16e eeuw, met de godsdiensttroebelen.

Ook Vincent van Gogh heeft hier een tijdje gewoond, dat heeft Conny ervaren toen ze hier is geweest in 2015 toen Mons de culturele hoofdstad van Europa was en het ook 125 jaar geleden was dat Van Gogh overleden was. Meer dan 2.000.000 bezoekers kwamen er toen. Het “kunstwerk” van Arne Quinze dateert ook van die periode.

Mons is uiteraard ook de stad van Elio Di Rupo.

Nu is het een mooie stad ook al zijn er, net als in elke stad ook minder fraaie stadsgezichten. We overwegen om nog eens terug te komen voor een weekendje of zo. Vér is het niet, nauwelijks een uurtje rijden vanuit Peulis.

Ondertussen zijn we gesetteld in onze bungalow en kunnen we beginnen aan een vakantie waarin vooral zal worden gewandeld maar waarbij we ook een stadsbezoekje niet uit de weg zullen gaan.

Hof van Busleyden

Na een uitgebreid ontbijt, ter gelegenheid van de verjaardag van “plusdochter” Laura, bij Anna Mit in Heist op de Berg zijn we op de eerste dag van onze zomervakantie naar Mechelen gereden.

Op het programma stond een bezoekje aan het Hof van Busleyden.

De Luxemburgse geleerde Busleyden was onder Filips de Schone lid en rekwestmeester geworden van de Grote Raad van Mechelen (1504), waar zich ook het hof van aartshertogin Margaretha bevond. In datzelfde jaar werd hij priester en kanunnik van Sint-Rombouts. Hij nam deel aan de hoge politiek en diplomatie, en ontpopte zich tot een humanist en mecenas. Aan de Katholieke Universiteit Leuven stichtte hij het Collegium Trilingue, kweekplaats van nieuw leven in wetenschap en kunst.

Vanaf 1503 liet hij met stedelijke subsidies een riante residentie bouwen in Mechelen (bewoonbaar in 1507 maar nog niet af in 1516). Het gebouw, in een overgangsstijl van late gotiek naar vroege renaissance, werd voltooid door architect Rombout II Keldermans. Waarschijnlijk maakte zijn vader Antoon de eerste plannen. Busleyden had het gebouw verkregen uit de nalatenschap van zijn broer Frans, die het zelf gekocht had van Joos Vranx (1496). Hij voegde er een aanpalend stuk grond aan toe, gekocht van Jan van Ophem (1506). De palazzo van Busleyden werd al snel beroemd vanwege de banketten die hij er hield. Adriaan Boeyens was er te gast, lang voor hij paus werd. Ook bevriende intellectuelen als Erasmus, Cuthbert Tunstall en Thomas Morus kwamen over de vloer. De laatste begon er te schrijven aan zijn Utopia en liet ook een hymne na over de magnifieke residentie, waarin hij zong dat “enkel de hand van Daedalus” verantwoordelijk kon zijn voor zo’n oordeelkundig gebouwd huis.

Na de dood van Busleyden verkochten zijn erfgenamen het paleis in 1518 aan Jacqueline de Boulogne, weduwe van Jean le Sauvage. Het hof kwam in 1589 in het bezit van Karel III van Croÿ (een van zijn titels, hertog van Aarschot, leidde tot de alternatieve naam Hof van Aarschot). Al in 1608 nam de familie van Varick-de Rovelasca het paleis over, maar ook dit was van korte duur. Het werd in 1619 verworven door Wenzel Coeberger om er een van zijn Bergen van Barmhartigheid onder te brengen. Dit pandjeshuis bevond zich langs de huidige Frederik de Merodestraat en bleef functioneren tot 1914.

In dat jaar brandde het gebouw af na de hevige beschietingen op Mechelen (Duitse in augustus en Belgische in september). Daken, toren, glasramen en muurschilderingen op de eerste verdieping waren vernield en enkel de muren stonden nog overeind. De heropbouw verliep van 1930 tot 1938 onder leiding van A. Winner. Hij bleef vrij getrouw aan het origineel, behalve de toevoeging van een torenspits. Voortaan kreeg het gebouw een museale functie: het Stedelijk Museum Hof van Busleyden (ingehuldigd door koning Leopold III op 31 juli 1938). Sinds 2010 werd het museum gerestaureerd en uitgebreid en ondertussen is het terug open voor het publiek.(Bron : Wikipedia)

Het is zeker een bezoek waard. Heel interessant en bovendien bijzonder goed georganiseerd, zeker in deze Coronatijden.

Een goede opwarmer voor onze “echte” vakantie die morgen begint in Bergen, hoofdstad van Henegouwen. Daarna zullen we een hele week die provincie bezoeken vanuit ons basecamp in het Landal park Lac de l’Eau d’Heure.

Watertuinen

Hoewel moeder heel graag de busreis naar Ost Friesland in Duitsland had gemaakt denk ik dat onze midweek naar Houffalize een waardige vervanger is geweest.

Gisterenavond op de valreep nog een optreden van Sylviane & Dick meegepikt. Echt Coronaproof was de zaal niet maar ons tafeltje stond wel goed afgescheiden van de rest en bovendien was er weinig volk.

Vanochtend dan vrij vroeg de deuren van Vayamundo Houffalize achter ons gelaten en de terugreis naar huis aangevat.

Onderweg nog wel één tussenstop gemaakt namelijk in Annevoie. Vorig jaar ben ik daar met Conny de watertuinen gaan bezoeken en ik was ervan overtuigd dat moeder ze ook wel een bezoekje waard zou vinden.

Ik had gelijk (uiteraard 😉). Maar het is dan ook een bijzonder mooie tuin.

En zo zit onze korte vakantie er weeral op. Het was wel een vermoeiende vakantie voor moeder (ze wordt binnenkort tenslotte 86 jaar) maar ze heeft er wel van genoten en dat is wat telt, zeker in deze Coronatijden waarin de meeste van haar sociale activiteiten zijn weggevallen of op een heel laag pitje staan.

Zou ik nog teruggaan naar Vayamundo? Misschien wel maar zeker niet meer tijdens de zomervakantie. Tijdens die periode is het daar immers vooral gericht op jonge gezinnen met kinderen niet iets minder op de oudere generatie.

Vanaf maandag is het back to business en kan ik beginnen aftellen naar de volgende vakantie. In september trekken Conny en ik naar een bungalow in Froidchapelle. Aanvankelijk zouden we naar Duitsland gaan maar met al die Coronatoestanden hebben we het zekere voor het onzekere gekozen en die vakantie omgeboekt naar Wallonië. Nu maar hopen dat Corona weer geen roet in het eten gooit.

Rustig aan

Het waren de afgelopen drie dagen al behoorlijk gevulde dagen voor een zesentachtigjarige dame en daarom deden we het vandaag iets rustiger

We waren al vroeg op pad omdat het deze namiddag ongetwijfeld te warm zou zijn. Om 9u verlieten we het hotel en stapten we steil omhoog richting het centrum. Al bij al ging dat vrij vlot. Daarna was het uiteraard wel steil naar beneden maar toen hadden we al wel asfalt onder de schoenen.

Het centrum was vrijwel verlaten. Onderweg kwamen we weer het standbeeld van de Pogge van Schaarbeek tegen. Gisteren zijn we daar even naar een uitkijkpuntje gekropen. Vandaag heb ik de moeite genomen om even op te zoeken wie die Pogge wel was.

De  “Pogge” heeft namelijk echt bestaan. Zijn echte naam was Pierre De Cruyer (1821-1890).Hij was van bescheiden komaf en ging op zijn 21ste bij het leger. Erg veel enthousiasme legde hij er niet aan de dag; hij blonk vooral uit door zijn absenteïsme en het verzetten van grote hoeveelheden alcohol …

Op zijn 34ste trouwde hij met Anne-Catherine Crabs, een meisje van Diegem, in de Sint-Servaaskerk van Schaarbeek. Ze hadden 5 kinderen van wie er 4 op jonge leeftijd stierven. Alleen de tweede, ook Pierre genoemd, overleefde. Pierre De Cruyer werkte als landbouwer (vandaar zijn uniform: blauw overhemd, rode sjaal, zwarte broek en een pet uit zwarte zijde) en als arbeider in de gasfabriek. Met zijn ezel begeleidde hij geregeld de Schaarbeekse groentekwekers op hun tocht naar de hoofdstad.

In 1883 verloor Pogge zijn vrouw en werd hij een vaste klant van de lokale estaminets. Hij sloeg er het ene na het andere glas Geuze of Faro achterover, in het gezelschap van zijn trouwe vriend Jean Parici. De Schaarbekenaren raakten verknocht aan deze eerlijke, loyale en sympathieke figuur, en kwamen over alles zijn mening vragen. Daarop begon Pogge zijn oordeel systematisch te verkondigen met de dooddoener: “Alles is just.”

In 1875 besloot een groep vrolijke kompanen om als eerbetoon aan Pogge een vereniging op te richten, genaamd “de Pogge Vrienden”. De vereniging kwam bijeen in café “De Drie Koningen” en begon met het organiseren van een kermis ter ere van Pogge (“Pogge Kermis”). Deze kermis werd tot in 1990 elk jaar halverwege september gehouden. Bij die gelegenheid werd het standbeeld van de kleine Pogge door de straten van de wijk gedragen.

Het standbeeld in Houffalize bevindt zich aan het begin van de rue de Schaerbeek en is het werk van beeldhouwer Louis Van Custem. Het stadje in de Ardennen kreeg het beeld cadeau bij de verzustering op 17 augustus 1952.

De namiddag hebben we gevuld met een spelletje Mini-golf en wat lanterfanten. Dat mag ook wel eens.