De bossen van Havré

Ook voor vandaag werden nog vrij hoge temperaturen voorspeld. Daarom kozen we voor de meest bosrijke wandeling uit onze Lannoo Gids voor Henegouwen. Wandeling 15 uit die gids bracht ons naar Havré en zijn bossen.

Deze bossen hoorden ooit toe aan de prinsen de Cröy, hertogen van Havré maar zijn sinds zowat een eeuw staatseigendom.

Voor ons betekenden ze vooral veel schaduw die het aangenaam wandelen maakten.

We vertrokken op het dorpsplein aan de 16e eeuwse Eglise Saint-Martin. Al snel waren we het dorp uit en via heel smalle paadjes bereikten we de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-van-Goedertierenheid. Deze kapel werd in 1625 gebouwd op de plaats van een lindenboom met een miraculeus Mariabeeldje.

Even later zaten we echt in de bossen van Havré. Het bos vormt met zijn eiken, essen, wilde kersenbomen, lariksen, dennen en andere boomsoorten een groene long in het hinterland van Bergen. Aan de rand van het bos zijn er ook ondergelopen steengroeven maar die zijn privé-eigendom en dus niet toegankelijk.

We passeerden ook de Chapelle Saint-Antoine-en-Barbefosse (die helaas ook afgesloten is voor het publiek. Al in 1382 stond daar in een put (barbefosse = kuil) een kapel toegewijd aan Antonius Kluizenaar. Er vonden enkele miraculeuze genezingen plaats zodat de bevolking van Bergen er tijdens een epidemie in 1382 massaal kwam bidden. Vanaf 1420 was de kapel de zetel van de ridderorde van Sint-Antonius. Maar nu staat ze dus afgeschermd door een groot hek en kan je ze enkel van op afstand bewonderen.

Net voor we terug aan onze vertrekplaats waren passeerden we nog het Kasteel van Havré en vooral zijn schitterende rozentuin. Al in 1266 werd er een kasteel vermeld. Het werd herhaaldelijk belegerd, vernield, vergroot en verbouwd. Aan het einde van de 16de eeuw herrees onder impuls van Charles Alexander de Cröy een indrukwekkend gebouw. Tal van beroemde gasten zoals Rubens, Van Dyck, Maria de Medici, Aartshertogin Isabella werden er verwelkomd. Na de Franse revolutie trad het verval in. In 1839 deed de familie de Cröy afstand van het domein.

In 1978 hebben enkele inwoners van Havré onder leiding van historicus Emile Poumon een vzw opgericht en is men begonnen met de restauratie.

Naast de ingang van het kasteel ligt een 6000 m² grote rozentuin die werd aangelegd in 1999-2000 en die zo’n 15.000 rozenstruiken van ruim 200 rozensoorten bevat. Ook andere bloemensoorten zijn overvloedig aanwezig. Enkel de tuin alleen is al zeker een bezoekje waard.

Na afloop stond er een kleine 10km op de teller. Dankzij de schaduwrijke bossen hebben we die goed kunnen verteren.

Thuin en de hangende tuinen

Er staan een hele hoop zaken op ons to-do-lijstje maar één ding moesten we absoluut zeker afvinken tijdens deze vakantie … een bezoekje aan Thuin en zijn hangende tuinen.

Thuin is een oude stad. Het wordt al in de negende eeuw vermeld onder de naam Tudinium Castellum en was eigendom van de Abdij van Lobbes.

In 888 ging Thuin samen met Lobbes deel uitmaken van het prinsbisdom Luik. De stad bereikte haar grootste bloeiperiode onder prins-bisschop Notger (10e – begin 11e eeuw), die haar snel van indrukwekkende vestingwerken voorzag, gezien haar strategische ligging aan de grens van zijn prinsbisdom. Sindsdien was Thuin de meest westelijke van de Goede Steden van het prinsbisdom Luik.

De Engelse industrieel Thomas Bonehill richtte begin 19e eeuw verschillende metaalfabrieken op in de bossen rond Thuin, waar historisch veel laagovens actief waren. Er was ook een kanonfabriek en een spoorontsluiting via het station Hourpes. De 19e eeuw kende grote spanningen tussen de laagstad, waar de arbeiders woonden, en de bovenstad van aristocraten, religieuzen en militairen. De arbeiders, die werkten in molens op de Biesmelle, in leerlooierijen en in de tabakskweek, werden denigrerend makas genoemd (smeedhamers). Zelf spraken ze over de hoogstedelingen als catulas (dieven).

De kanalisering van de Samber in 1829 zorgde voor tewerkstelling in de scheepsbouw. In Thuin waren niet minder dan vijf werven waar binnenschepen werden gebouwd. Ook de spoorwegen brachten welvaart. Thuin lag op de lijn Parijs-Brussel-Keulen en kreeg mondaine allures toen de gemeente eind 19e eeuw een casino opende. In het kielzog kwam ander vermaak, zoals luxewinkels, pedalo’s en een “strand”. Het casino werd in 1901 gesloten en in 2018 afgebroken. (Bron : Wikipedia)

Vandaag is het een stadje waar je heel mooi kan wandelen maar je mag niet vergeten stevige schoenen aan te doen. Er zijn meerdere stevige beklimmingen, vaak op moeilijk begaanbare kasseien.

Wij hadden bij het Toeristische Dienst een wandelkaart met 3 wandelingen gehaald, telkens vertrekkend aan het Belfort waar die dienst is gevestigd. Onderweg besloot ik om de hangende tuinenwandeling te combineren met de binnenvaartwandeling. Conny zal zeggen dat ik het weer beter wist en dat ik verkeerd ben gelopen maar dat moet je niet geloven hoor 😉.

Wat er ook van is … Thuin is zeker een bezoekje waard. Wij hebben het ons alvast niet beklaagd.

Balade du Grand Cerf

De 14,5 km van gisteren lieten zich nog goed voelen en aangezien ik noch Conny nog jongelingen van 20 jaar zijn (al ziet zij er natuurlijk wel zo uit 😉) mocht het vandaag wat rustiger aan.

We reden een kleine 8 kilometer van onze bungalow naar de Barrage de Féronval om daar de Balade du Grand Cerf te doen, een wandeling van een goeie 8 km.

Vertrekken deden we aan het Jetski-gedeelte van de meren. We waren trouwens al even onderweg toen we doorhadden dat we de wandeling in omgekeerde richting aan ’t doen waren maar op zich was dat geen probleem.

Het was een mooie, rustige wandeling, voornamelijk doorheen schaduwrijke bossen maar wel op een asfalten (fiets)pad.

Niet de meest fotogenieke wandeling ooit maar wel heel rustgevend. Net wat we nodig hadden na gisteren.

Ondertussen zitten we terug in onze bungalow te relaxen en te genieten van de vogeltjes op ons terras. Het is tenslotte zondag.

Wadelincourt en Beloeil

Dag 2 in Henegouwen en onmiddellijk de dag met de langste wandeling : ruim 14,50 km van Wadelincourt naar het Kasteel van Beloeil en terug … wandeling 10 uit de Lannoo gids “Wandelen in Henegouwen”.

Het vertrekpunt Wadelincourt lag wel iets verder van Froidchapel dan we dachten maar we hebben toch tijd genoeg dus geen probleem.

De auto lieten we achter aan de kerk van Saint-Vendégésile, een bedevaartkerk te ere van de heilige Charalampus, een Griekse heilige die in de vroege middeleeuwen de marteldood stierf en wiens hulp wordt ingeroepen voor veeziekten. De kerk bezit enkele relieken van de heilige die op enkele plaatsen in Henegouwen worden vereerd.

Via een smalle veldweg ging het richting Beloeil. Daar hebben we een “ommetje” van 2 km gemaakt zodat we onze sandwiches konden opeten met het kasteel, de grote vijver en het beeld van Neptunus (althans de achterkant) als uitzicht. Er zijn slechtere plekken om te lunchen. Het kasteel bezoeken hebben we niet gedaan.

De terugweg ging via Quevaucamps, ooit het centrum van het breigoed met ruim 150 fabrieken en 1.500 tewerkgestelden. Nu resten er nog slechts twee textielbedrijven.

Toen we terug aan de auto waren stonden er 14,5 km op de teller en was het te voelen dat het alweer een tijdje geleden was dat we nog eens zo’n afstand hadden gedaan. 

Morgen doen we het iets rustiger aan 😉

De stad van Elio

We hebben er lang op moeten wachten maar vandaag is het dan zover … onze vakantie.

Aanvankelijk zouden we naar de Vulkaneiffel gaan maar dat hebben we, uiteraard omwille van de Corona, omgeboekt naar Henegouwen. Onze uitvalsbasis is het Landal Bungalowpark aan het Lac d’Eau d’Heure.

Op onze eerste dag hebben we een stop gemaakt in Mons, hoofdstad van Henegouwen. Onder Boudewijn IV (1120-1171) werd begonnen met de bouw van een omwalling rond de burcht van de Graven van Bergen en kan men spreken van een stad. Gravin Margaretha II van Vlaanderen stichtte in 1248 een begijnhof, en de toename van de bevolking maakte rond 1290 de aanleg van een tweede, grotere stadsmuur noodzakelijk. Deze stadsmuur was ongeveer 4,5 km lang en had zes poorten. In 1295 werd Bergen de hoofdplaats van het graafschap Henegouwen. De lakennijverheid legde de basis van een economische bloei, die pas zou eindigen in de 16e eeuw, met de godsdiensttroebelen.

Ook Vincent van Gogh heeft hier een tijdje gewoond, dat heeft Conny ervaren toen ze hier is geweest in 2015 toen Mons de culturele hoofdstad van Europa was en het ook 125 jaar geleden was dat Van Gogh overleden was. Meer dan 2.000.000 bezoekers kwamen er toen. Het “kunstwerk” van Arne Quinze dateert ook van die periode.

Mons is uiteraard ook de stad van Elio Di Rupo.

Nu is het een mooie stad ook al zijn er, net als in elke stad ook minder fraaie stadsgezichten. We overwegen om nog eens terug te komen voor een weekendje of zo. Vér is het niet, nauwelijks een uurtje rijden vanuit Peulis.

Ondertussen zijn we gesetteld in onze bungalow en kunnen we beginnen aan een vakantie waarin vooral zal worden gewandeld maar waarbij we ook een stadsbezoekje niet uit de weg zullen gaan.